NL: aankaartenSynoniemen: aansnijden, starten, opwerpen, openen, entameren, aanknopen, opperen, aanvoeren
EN: broach, raise, bring up
FR: entamer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangekaart
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kaart aan jij kaart aan hij kaart aan wij kaarten aan jullie kaarten aan zij kaarten aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangekaart jij hebt aangekaart hij heeft aangekaart wij hebben aangekaart jullie hebben aangekaart zij hebben aangekaart
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kaartte aan jij kaartte aan hij kaartte aan wij kaartten aan jullie kaartten aan zij kaartten aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangekaart jij had aangekaart hij had aangekaart wij hadden aangekaart jullie hadden aangekaart zij hadden aangekaart
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aankaarten jij zult aankaarten hij zal aankaarten wij zullen aankaarten jullie zullen aankaarten zij zullen aankaarten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangekaart hebben jij zult aangekaart hebben hij zal aangekaart hebben wij zullen aangekaart hebben jullie zullen aangekaart hebben zij zullen aangekaart hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aankaarten jij zou aankaarten hij zou aankaarten wij zouden aankaarten jullie zouden aankaarten zij zouden aankaarten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangekaart hebben jij zou aangekaart hebben hij zou aangekaart hebben wij zouden aangekaart hebben jullie zouden aangekaart hebben zij zouden aangekaart hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kaart aan
|