NL: aanjagenSynoniemen: aandrijven, aansporen, opjutten, porren, voortstuwen
DE: anspornen, motivieren, ermutigen, stimulieren, ermuntern, animieren
EN: encourage, push on, boost
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangejaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jaag aan jij jaagt aan hij jaagt aan wij dagen aan jullie dagen aan zij dagen aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangejaagd jij hebt aangejaagd hij heeft aangejaagd wij hebben aangejaagd jullie hebben aangejaagd zij hebben aangejaagd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik jaagde aan jij jaagde aan hij jaagde aan wij jaagden aan jullie jaagden aan zij jaagden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangejaagd jij had aangejaagd hij had aangejaagd wij hadden aangejaagd jullie hadden aangejaagd zij hadden aangejaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanjagen jij zult aanjagen hij zal aanjagen wij zullen aanjagen jullie zullen aanjagen zij zullen aanjagen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangejaagd hebben jij zult aangejaagd hebben hij zal aangejaagd hebben wij zullen aangejaagd hebben jullie zullen aangejaagd hebben zij zullen aangejaagd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanjagen jij zou aanjagen hij zou aanjagen wij zouden aanjagen jullie zouden aanjagen zij zouden aanjagen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangejaagd hebben jij zou aangejaagd hebben hij zou aangejaagd hebben wij zouden aangejaagd hebben jullie zouden aangejaagd hebben zij zouden aangejaagd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jaag aan
|