NL: aangroeienSynoniemen: aanzwellen, meerderen, ophopen, opstapelen, vermeerderen, toenemen, stijgen, opzetten, omhooggaan, groeien, gedijen, aanwinnen, aanwassen
DE: aangroeien (toenemen): zunehmen, vergrößern, steigern, vermehren, ansteigen, anschwellen, ausweiten, ausbreiten, ausdehnen, aufstocken
EN: aangroeien (toenemen): increase, rise, expand, grow, arise, extend, ascent, add to
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangegroeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik groei aan jij groeit aan hij groeit aan wij groeien aan jullie groeien aan zij groeien aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangegroeid jij hebt aangegroeid hij heeft aangegroeid wij hebben aangegroeid jullie hebben aangegroeid zij hebben aangegroeid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik groeide aan jij groeide aan hij groeide aan wij groeiden aan jullie groeiden aan zij groeiden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangegroeid jij had aangegroeid hij had aangegroeid wij hadden aangegroeid jullie hadden aangegroeid zij hadden aangegroeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aangroeien jij zult aangroeien hij zal aangroeien wij zullen aangroeien jullie zullen aangroeien zij zullen aangroeien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangegroeid hebben jij zult aangegroeid hebben hij zal aangegroeid hebben wij zullen aangegroeid hebben jullie zullen aangegroeid hebben zij zullen aangegroeid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aangroeien jij zou aangroeien hij zou aangroeien wij zouden aangroeien jullie zouden aangroeien zij zouden aangroeien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangegroeid hebben jij zou aangegroeid hebben hij zou aangegroeid hebben wij zouden aangegroeid hebben jullie zouden aangegroeid hebben zij zouden aangegroeid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
groei aan
|