NL: aangevenSynoniemen: aanbrengen, aanduiden, aanreiken, declareren, inschrijven, verraden, aangifte, wijzen, vertonen, uitwijzen, uitduiden, tonen, tentoonspreiden, aanwijzen, indiceren, tekenen, merken, kenmerken, reiken, geven, toesteken, overhandigen, overgeven, afgeven, ve
DE: aangeven (aanreiken): reichen, darreichen, herüberreichen, hinhalten, hinüberreichen
EN: aangeven (aanreiken): give, hand over, delate, extend, pass, give to, offer, present with, hand, deliver up
ES: aangeven (aanreiken): dar, entregar, ofrecer, transmitir, presentar, hacer entrega, proporcionar, traspasar
FR: aangeven (aanreiken): donner, rendre, offrir, remettre, déposer, transmettre, présenter, livrer, porter, déléguer, faire circuler, tendre quelque chose à quelqu'un, passer quelque chose à quelqu'un
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangegeven
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik geef aan jij geeft aan hij geeft aan wij geven aan jullie geven aan zij geven aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangegeven jij hebt aangegeven hij heeft aangegeven wij hebben aangegeven jullie hebben aangegeven zij hebben aangegeven
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik gaf aan jij gaf aan hij gaf aan wij gaven aan jullie gaven aan zij gaven aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangegeven jij had aangegeven hij had aangegeven wij hadden aangegeven jullie hadden aangegeven zij hadden aangegeven
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aangeven jij zult aangeven hij zal aangeven wij zullen aangeven jullie zullen aangeven zij zullen aangeven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangegeven hebben jij zult aangegeven hebben hij zal aangegeven hebben wij zullen aangegeven hebben jullie zullen aangegeven hebben zij zullen aangegeven hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aangeven jij zou aangeven hij zou aangeven wij zouden aangeven jullie zouden aangeven zij zouden aangeven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangegeven hebben jij zou aangegeven hebben hij zou aangegeven hebben wij zouden aangegeven hebben jullie zouden aangegeven hebben zij zouden aangegeven hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
geef aan
|