Vertaal

Vertalingen querer ES>NL

I querer

werkw.
Uitspraak:  [keeɾ]

1) desear una cosa - willen
Quiero volver a casa. - Ik wil teruggaan naar huis.

2) tener inclinación hacia una persona o cosa - houden van
Quiere mucho a sus hijos. - Hij houdt veel van zijn kinderen.

3) tener voluntad de hacer una cosa - wensen
querer triunfar en la vida - succes wensen te hebben in het leven

4) dar motivo una persona a que suceda algo en su perjuicio - willen
¿Quieres que nos castiguen? - Wil je dat ze ons straffen?

5) ser algo conveniente - wensen
Tu quieres un baño. - Je wil een bad.

6) buscar obtener una cosa - willen
Quiere conocer Asia. - Hij wil Azië leren kennen.


II querer

werkw.

estar una cosa próxima a ser - op het punt staan om
Parece que quiere nevar. - Het lijkt of het op punt staat om te gaan sneeuwen.

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
querer (ww.) willen (ww.) ; moeten (ww.) ; believen (ww.) ; wensen (ww.) ; hopen (ww.) ; verlangen (ww.) ; spinzen (ww.) ; van hoop vervuld zijn (ww.) ; op hopen zetten (ww.) ; houden van (ww.) ; liefhebben (ww.) ; beminnen (ww.) ; begeren (ww.) ; smachten (ww.) ; snakken (ww.) ; kwijnen (ww.) ; kwijnend verlangen (ww.) ; minnen (ww.)

Bron: interglot
Synoniemen
ES: abrigar la esperanza
ES: adoración
ES: adorar
ES: afecto
ES: alentarse
ES: amar
ES: ambicionar
ES: amor
ES: andar loco por
ES: anhelar





Er zijn 15 zinnen met `querer` gevonden
  1. ES: Púrpura y oro: querer y lograr;
    NL: Purpur en goud, willen en volbrengen
  2. ES: el querer
    NL: het houden van
  3. ES: Querer
    NL: Willen
  4. ES: Tú sabes, querer que ella\r realmente vaya a algún lado.
    NL: Ik wil dat ze iets bereikt.
  5. ES: Querer es poder.
    NL: Waar een wil is, is een weg.
  6. ES: Fue sin querer.
    NL: lk bedoelde 't niet zo. . .
  7. ES: ''¿Por qué ibas a querer ser\r visitador médico?''
    NL: ''Waarom wil je\r vertegenwoordiger zijn?''
  8. ES: No está bien querer imponer nuestras ideas a los demás.
    NL: Het is niet goed om onze denkbeelden aan anderen op te dringen.
  9. ES: ¿Por qué ibas a querer ser\r visitador médico?
    NL: Waarom wil je vertegenwoordiger zijn?
  10. ES: que son, por una parte,\r aprender a quererse a sí misma,
    NL: leren van zichzelf te houden,
  11. ES: Las altas fachadas de los edificios de los bancos, que parecieran querer alcanzar el cielo, son el símbolo de la ciudad
    NL: De hoog oprijzende bankgebouwen met hun futuristische architectuur zijn het typische herkenningsteken van de Frankfurtse city
  12. ES: en el que aún no se ha aceptado a sí misma,\r no ha aprendido a quererse.
    NL: waar ze zichzelf niet accepteert\r of van zichzelf kan houden.
  13. ES: Creo que necesitas saber que mejoraré\r para poder quererme.
    NL: Ik moet blijkbaar beter worden,\r dan hou je pas van me.
  14. ES: Y me enseñaste que se puede\r querer a alguien que...
    NL: Maar ook dat je van iemand die je\r leven kapot maakt toch kan houden.
  15. ES: Necesitaba querer a mis padres...
    NL: In New York leerde ik houden van\r m'n ouders, met al hun fouten.