Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen


Vertaling van verleden, NL>FR

Enter Shift+Enter
verleden Bijvoeglijk naamwoord
[vərˈledə(n)]

1 ( vroeger) vorig - dernier

  `verleden week`
  la semaine dernière/passée

  Dat is verleden tijd.
   (= dat is voor altijd voorbij) - Tout ça, c'est du passé / c'est de l'histoire ancienne.



verleden Zelfst. Naamw. [onzijdig]
[vərˈledə(n)]

1 tijd die voorbij is - passé (le ~(m))

  `een roemrijk verleden`
  un passé glorieux

  breken met het verleden
   (= het verleden vergeten en de dingen voortaan anders doen) - rompre avec le passé

  een verleden hebben
   (= vroeger ongunstige dingen hebben gedaan of meegemaakt hebben) - avoir un passé





© K Dictionaries Ltd. Alle rechten voorbehouden.
Synoniemen
NL: afgelopen (bijv.nw. / bijw.)
FR: fait, prêt, passé, achevé, disposé, terminé, fini, exécuté, ...

Voorbeeldzinnen en gezegdes
NL: verleden deelwoord FR: participe (le) passé
NL: verleden zondag FR: dimanche passé
NL: verleden week FR: la semaine dernière
NL: onvoltooid verleden tijd FR: imparfait (le)
NL: voltooid verleden tijd FR: plus-que-parfait (le)






Zojuist vertaald

NL>FR: verleden
NL>FR: aanbieden
NL>FR: aanbieden
NL>FR: verder
NL>FR: lijken op
NL>FR: kruispunt
NL>FR: avontuur
NL>FR: kruispunt
NL>FR: veranderen
NL>FR: doorbrengen
NL>FR: avontuur
NL>FR: allereerst
NL>FR: afleveren
NL>FR: doorbrengen
© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English