Vertaal

Vertalingen uitstellen NL>FR
uitstellen (ww.) retarder (ww.) ; reporter (ww.) ; renvoyer (ww.) ; repousser (ww.) ; ajourner (ww.) ; temporiser (ww.) ; faire traîner les choses en longueur (ww.) ; procrastiner (ww.) ; différer (ww.)

Bronnen: Wikipedia interglot
Synoniemen
NL: aanhouden
NL: afdoen
NL: afleggen
NL: afzetten
NL: opschorten
NL: opschuiven
NL: rekken
NL: uitdoen
NL: uitkrijgen
NL: uittrekken





Er zijn 2 zinnen met `uitstellen` gevonden
  1. NL: U vertrekt niet meer of u wilt uw reis uitstellen
    FR: Vous ne partez plus ou vous souhaitez différer votre voyage !
  2. NL: Het Parlement kan ook weigeren kwijting te verlenen of de kwijtingsverlening uitstellen
    FR: Le Parlement peut aussi refuser de donner sa décharge ou la reporter