Vertaal

Vertalingen week NL>EN

I week

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [wek]
Verbuigingen:  weken (meerv.)

periode van zeven dagen - week
Volgende week ben ik er niet. - I am not available next week.
Over een week ben ik jarig. - I have a birthday in a bit over a week.
vorige/afgelopen week - last/previous week
Het duurt weken voor het klaar is. - It's going to take weeks before it's ready.
uitdrukking door de week


II week

bijv.naamw.
Uitspraak:  [wek]

1) zacht, slap of mals - weak, soft, flaccid
De hersenen zijn niet meer dan een weke massa. - The brain is no more than a flaccid mass.
weekdier - mollusc

2) gevoelig, ontroerd, vol medelijden enz. - sensetive, softhearted, tender
Hij pakte mijn hand, ik werd helemaal week vanbinnen. - He took my hand, and I became all wet inside.

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
week (bijv.naamw.) weak (bijv.naamw.) ; dizy (bijv.naamw.) ; week (bijv.naamw.)
week soak ; soft ; mushy

Bronnen: interglot Vlietstra Wakefield genealogy pages
Synoniemen
NL: drassig
NL: futloos
NL: klef
NL: kletsnat
NL: sentimenteel
NL: zwak

Uitdrukkingen en gezegdes
NL: de Goede (Stille) Week EN: Holy Week
NL: verleden (volgende) week EN: last (next) week
NL: door (in) de week EN: during (in) the week, on week-days
NL: week in, week uit EN: week in, week out
NL: om de week EN: every week
NL: over een week EN: in a week's time
NL: vandaag over een week EN: to-day week
NL: een vakantie van een week EN: a week's holiday
NL: vandaag voor een week EN: to-day a week
NL: (het weken): de was in de week zetten EN: put the clothes in to soak