Vertaal

Vertalingen duim NL>EN

de duim

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [dœym]
Verbuigingen:  -en (meerv.)

kortste en dikste vinger van je hand - thumb
op je duim zuigen - suck on your thumb
uitdrukking iemand onder de duim houden
uitdrukking iets op je duimpje kennen
uitdrukking iets uit je duim zuigen
uitdrukking met je duimen draaien
uitdrukking de duimen leggen

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
de duim (m) the thumb
de duimthe inch

Bronnen: interglot Wakefield genealogy pages
Uitdrukkingen en gezegdes
NL: hij kan op zijn duim fluiten EN: he can whistle for it
NL: iets uit zijn duim zuigen EN: make up a story



Er zijn 18 zinnen met `duim` gevonden
  1. NL: kunt u deze broek een duim korter maken?
    EN: could you take these trousers up an inch?
  2. NL: Voet (12 duim) (UK en USA)
    EN: Foot (12 inches) (0,3047945 cm)
  3. NL: Hij kent de streek op zijn duimpje.
    EN: He knows the area like the back of his hand.
  4. NL: Meet afstanden en materialen op en brengt markeringen aan op het materiaal met behulp van een duimstok, potloot, krijt, meetlint, etc.
    EN: Measure distances and materials and mark cutting lines on materials using ruler, pencil, chalk, marking gauge, measuring tape, etc.
  5. NL: Nee, met je duim.
    EN: You put it with your thumb.
  6. NL: duimmuis
    EN: thenar eminence
  7. NL: duimspier
    EN: thumb muscle
  8. NL: inch/duim
    EN: inch
  9. NL: De hand heeft vijf vingers: duim, wijsvinger, middelvinger, ringvinger en pink.
    EN: The hand has five fingers: the thumb, the index finger, the middle finger, the ring finger, and the pinky.
  10. NL: Neem een picknick mee en duim voor een zonnige avond in Regent’s Park
    EN: Take a picnic and cross your fingers for a sunny evening at Regent’s Park
  11. NL: duimstok
    EN: gauge
  12. NL: duim
    EN: digitus I
  13. NL: duim
    EN: digitus primus
  14. NL: duim
    EN: pollex
  15. NL: Ik zal voor je duimen.
    EN: I will keep my fingers crossed for you.
  16. NL: Laten we gaan duimen
    EN: Let's keep our fingers crossed
  17. NL: kunt u deze broek een duim innemen?
    EN: could you take these trousers in an inch?
  18. NL: opponeerbaar (van duim)
    EN: opposable