Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen


Vertaling van weekend, NL>DE

Enter Shift+Enter

het weekend

zelfst.naamw.
Uitspraak:  ['wikɛnt]
Verbuigingen:  -s, -en (meerv.)

de laatste twee dagen van de week, waarop veel mensen niet werken - Wochenende (das ~)
Ik ga een weekendje kamperen. - Ich gehe übers Wochenende zelten.
In het weekend kom ik niet voor twaalf uur uit mijn bed. - Am Wochenende komme ich nicht vor zwölf Uhr aus meinem Bett.

© K Dictionaries Ltd.

Interglot
weekend het ~
Wochenende (das ~)



Uitdrukkingen en gezegdes
NL: op weekeind gaan DE: ins Wochenende fahren
NL: Iemand die op weekeind gaat DE: Wochenendler (der)

Zinnen met weekend
NL: Trainen doe ik in het weekend - DE: Trainieren mache ich am Wochenende
NL: In het weekend ga ik graag dansen - DE: Am Wochenende gehe ich gern tanzen
NL: In het weekend ga ik graag uit - DE: Am Wochenende gehe ich gern aus
NL: In het weekend gaan we vaak de stad in - DE: Am Wochende gehen wir oft in die Stadt
NL: In het weekend mag ik 's avonds uit - DE: Am Wochenende darf ich abends aus
NL: In het weekend - DE: Am Wochenende
NL: Zou je mij voor het weekend antwoord kunnen geven? - DE: Könntest du mir vor dem Wochenende antworten?
NL: Dit weekend - DE: Am Wochenende
NL: Wat doe je in het weekend? - DE: Was machst du am Wochenende?
NL: ln dit bloedhete weekend van de vierde juli... - DE: FRAU (lM FERNSEHEN): An diesem heißen und schweißtreibenden 4. Juli
NL: Hij let dit weekend op jullie. - DE: Er ist eure Anstandsdame für das Wochenende.







Zojuist vertaald

NL>DE: weekend
NL>DE: uiten
NL>DE: Draadloos
NL>DE: duits
NL>DE: vier
NL>DE: maand
NL>DE: rietje
NL>DE: eerst
NL>DE: frustratie
NL>DE: verleden
NL>DE: direct
NL>DE: verleden
NL>DE: slaapkamer
NL>DE: duits
© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English