Vertaal

Vertalingen uitstellen NL>DE
uitstellen (ww.) verlegen (ww.) ; verschieben (ww.) ; aufschieben (ww.) ; vertagen (ww.) ; hinausschieben (ww.) ; aufheben (ww.) ; verzögern (ww.) ; prokrastinieren (ww.)

Bronnen: interglot Wikipedia
Synoniemen
NL: aanhouden
NL: afdoen
NL: afleggen
NL: afzetten
NL: opschorten
NL: opschuiven
NL: rekken
NL: uitdoen
NL: uitkrijgen
NL: uittrekken

Uitdrukkingen en gezegdes
NL: tot nader order uitstellen DE: bis auf Näheres verschieben
NL: uitgestelde schuld DE: ausgesetzte, prolongierte Schuld DE: ('t Allerheiligste) aussetzen