Vertaal

Vertalingen jullie NL>DE

jullie

pronoun
Uitspraak:  [ˈjʏli]

1) < je zegt dit woord als je tegen twee of meer mensen praat>
- ihr , euch
Gaan jullie mee? - Geht ihr mit?

2) < je zegt dit woord als iets van twee of meer mensen is>
- euer/e
Is dit jullie auto? - Ist dies euer Auto?

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
jullie ihr ; euch ; euer ; Sie ; Ihnen

Bronnen: interglot Wikipedia
Synoniemen
NL: u





Er zijn 100 zinnen met `jullie` gevonden
  1. NL: doe jullie boeken open op bladzijde drie
    DE: Öffnet eure Bücher auf Seite drei
  2. NL: Hoe heet jullie huisdier?
    DE: Wie heißt euer Haustier?
  3. NL: Hoe lang hebben jullie je huisdier al?
    DE: Wie lange habt ihr euer Haustier schon?
  4. NL: Dat gaat jullie niets aan
    DE: Das geht euch nichts an
  5. NL: wat wensen jullie
    DE: was möchtet ihr
  6. NL: Trainen jullie elke week?
    DE: Trainiert ihr jede Woche?
  7. NL: Als jullie nog even tijd hebben: ik heb nog wel een paar ideeën
    DE: Wenn ihr noch Zeit habt: ich hätte da noch ein paar ideen
  8. NL: Ik zal jullie niet meer lastigvallen met mijn vragen
    DE: Ich werde euch nicht mehr mit meinen Fragen belästigen
  9. NL: Wij feliciteren jullie met je examen
    DE: Wir gratulieren euch zum Examen
  10. NL: Zijn jullie uit jullie land gevlucht?
    DE: Seid ihr aus eurem Land geflohen?
  11. NL: Wanneer trainen jullie?
    DE: Wann trainiert ihr
  12. NL: Hoe willen jullie het pakket transporteren?
    DE: Wie wollt ihr die Pakete transportieren?
  13. NL: Hebben jullie daar ook gegeten?
    DE: Habt ihr da auch gegessen?
  14. NL: En wat hebben jullie verder nog gedaan?
    DE: Und was habt ihr sonst noch gemacht?
  15. NL: En waar laten jullie de fietsen?
    DE: Und wo lasst ihr die Fahrräder?
  16. NL: Waar wonen jullie?
    DE: Wo wohnt ihr?
  17. NL: Wanneer hebben jullie een toernooi?
    DE: Wann habt ihr ein Turnier?
  18. NL: Wat zullen jullie ermee doen?
    DE: Was werdet ihr damit machen?
  19. NL: Kennen jullie elkaar al?
    DE: Kennt ihr euch schon?
  20. NL: Waar zijn jullie geweest?
    DE: Wo wart ihr?
  21. NL: Hoe lang zijn jullie weg geweest?
    DE: Wie lange wart ihr weg?
  22. NL: Wat voor soort huis hebben jullie?
    DE: Was für ein Haus habt ihr?
  23. NL: waarom willen jullie dat weten?
    DE: Warum wollt ihr das wissen?
  24. NL: als jullie onze weg zouden kennen
    DE: Würde ich den Weg euch nennen,
  25. NL: leggen jullie je boeken op tafel
    DE: Bitte, legt die Bücher auf den Tisch

Bekijk alle 100 voorbeeldzinnen met `jullie`