Vertaal

Vertalingen heet NL>DE

heet

bijv.naamw.
Uitspraak:  [het]

1) met een hoge temperatuur - heiß
Pas op, goed blazen, want de soep is gloeiend heet. - Pass auf, gut pusten, denn die Suppe ist glühend heiß.

2) (van eten) sterk gekruid en prikkelend in je mond - scharf
Deze pepertjes zijn erg heet. - Diese Chilischoten sind ziemlich scharf.

3) seksueel opgewonden - heiß , geil
heet worden van lekkere billen - von hübsch anzusehenden Hintern heiß werden

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
heet eifrig (bijv.naamw.) ; enthusiastisch (bijv.naamw.) ; gepfeffert (bijv.naamw.) ; scharf (bijv.naamw.) ; pikant (bijv.naamw.) ; heiß ; gereizt (bijv.naamw.) ; begeistert (bijv.naamw.) ; prikelnder Geschmack (bijv.naamw.) ; erregend (bijv.naamw.) ; herzhaft (bijv.naamw.) ; feurig (bijv.naamw.) ; erregt (bijv.naamw.) ; geil (bijv.naamw.) ; aufgeregt (bijv.naamw.) ; hingebungsvoll (bijv.naamw.) ; aufgregend (bijv.naamw.) ; hitzig (bijv.naamw.)

Bron: mwb
Synoniemen
NL: brandend
NL: geil
NL: gekruid
NL: gepeperd
NL: gloeiend
NL: hartig
NL: hevig
NL: hitsig
NL: koortsig
NL: opgewonden

Uitdrukkingen en gezegdes
NL: voor heter vuren gestaan hebben DE: härtere Nüsse zu knacken gehabt haben