Vertaal
Naar andere talen: • fête > DEfête > ENfête > ES
Definities in het Nederlands: Fête (2x)
Vertalingen fête FR>NL
[fɛt]

1 ce qui célèbre un événement ou une personne - feestdag

  'la fête nationale'
  de nationale feestdag

  'la fête des Mères'
  moederdag

  'les fêtes de Noël'
  de kerstdagen


2 jour où l'on célèbre un saint - patroonsfeest - heiligendag

  'souhaiter une bonne fête à ··· '
  iemand een prettige naamdag wensen


3 réunion de personnes - feest

  'faire la fête avec des amis'
  samen met vrienden feest vieren

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
fête (v) de gedenkdag (m) ; de feestdag (m) ; de partij (v) ; het partijtje ; de party (v) ; het festijn ; het festival ; naamdag (m) ; de verjaardag (m) ; het feest ; de feestelijkheid (v) ; de herdenkingsdag (m) ; de feestje ; vreugdefeest (znw.) ; de feestviering (v)
fêté gelauwerd ; festiviteit
Bronnen: interglot; Wikipedia; f; Trueterm

Voorbeeldzinnen met `fête`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
FR: anniversaire
FR: cérémonie
FR: commémoration
FR: congé
FR: festin
FR: festival
FR: foire
FR: gala
FR: jubilé
FR: kermesse

Uitdrukkingen en gezegdes
FR: la Fête-Dieu NL: Sacramentsdag
FR: faire fête à  quelqu'un. NL: iemand feestelijk ontvangen
FR: faire la fête NL: fuiven
FR: se faire une fête de qc. NL: zich op iets verheugen
FR: il n'est pas tous les jours fête NL: het is niet alle dagen kermis
FR: fête des Fous NL: narrenfeest in de middeleeuwen
FR: souhaiter la fête à  quelqu'un. NL: iemand op zijn naamdag gelukwensen

Staat je antwoord er niet bij of heb je een vraag waarbij het vertaalwoordenboek geen hulp kan bieden? Vraag het dan op `Vertaalhulp`
Download de Android App
Download de IOS App