Vertaal

Vertalingen ir a ES>NL
ir a (ww.) zullen (ww.) ; aankomen (ww.) ; bezoeken (ww.) ; langskomen (ww.) ; langsgaan (ww.) ; voorbijkomen (ww.) ; op visite gaan (ww.) ; iemand opzoeken (ww.)
ir a gaan naar

Bronnen: interglot Trueterm
Synoniemen
ES: deber
ES: frecuentar
ES: haber de
ES: hacer una visita a
ES: pasar
ES: pasar a ver
ES: pasar por
ES: tener que
ES: visitar