Vertaal
Naar andere talen: • time > DEtime > EStime > FR
Definities in het Engels: Time (92x)
Vertalingen time EN>NL

1 the hour of the day: “What time is it?”
tijd

2 the passage of days, years, events etc: “time and space”
tijd

3 a point at which, or period during which, something happens: “at the time of his wedding”
tijdstip

4 the quantity of minutes, hours, days etc, eg spent in, or available for, a particular activity etc: “This won't take much time to do”
tijd

5 a suitable moment or period: “Now is the time to ask him.”
gelegenheid

6 one of a number occasions: “He's been to France four times.”
keer

7 a period characterized by a particular quality in a person's life, experience etc: “He went through an unhappy time when she died”
tijd

8 the speed at which a piece of music should be played; tempo: “in slow time.”
maat

1 to measure the time taken by (a happening, event etc) or by (a person, in doing something): “He timed the journey.”
timen

2 to choose a particular time for: “You timed your arrival beautifully!”
regelen

'timeless (Bijvoeglijk naamwoord)

1 not belonging to, or typical of, any particular time: “timeless works of art.”
tijdeloos

2 never-ending: “the timeless beauty of Venice.”
oneindig

'timelessly (Bijwoord)

oneindig

'timelessness (Zelfstandig naamwoord)

oneindigheid

'timely (Bijvoeglijk naamwoord)

coming at the right moment: “Your arrival was most timely.”
op het juiste moment

'timeliness (Zelfstandig naamwoord)

geschiktheid

'timer (Zelfstandig naamwoord)

1 a person who, or a device which, measures the time taken by anything: “a three-minute egg-timer.”
tijdopnemer

2 a clock-like device which sets something off or switches something on or off at a given time.
tijdwaarnemer

times (noun plural)

1 a period; an era: “We live in difficult times.”
tijden

2 in mathematics, used to mean multiplied by: “Four times two is eight.”
keer

'timing (Zelfstandig naamwoord)

1 the measuring of the amount of time taken.
timing

2 the regulating of speech or actions to achieve the best effect: “All comedians should have a good sense of timing.”
timing

time bomb

a bomb that has been set to explode at a particular time.
tijdbom

'time-consuming (Bijvoeglijk naamwoord)

taking too much time to do: “a time-consuming process/job.”
tijdverslindend, tijdrovend

time limit

a fixed length of time during which something must be done and finished: “The examination has a time limit of three hours.”
tijdslimiet

time 'off (Zelfstandig naamwoord)

a period of time away from work or studying.
vrije tijd

time 'out (Zelfstandig naamwoord)

(American)

1 (in basketball etc) a short break requested by the coach to give instructions etc.
?????

2 a short period of rest from an activity: “to take time out to relax.”
korte pauze

'timetable (Zelfstandig naamwoord)

a list of the times of trains, school classes etc.
dienstregeling, rooster

all in good time

soon enough.
alles op zijn tijd

all the time

continually.
de hele tijd

at times

occasionally; sometimes.
soms

be behind time

to be late.
achter zijn

for the time being

meanwhile© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
to time tijd opnemen (ww.) ; tijd (ww.) ; keer (ww.) ; maal (ww.) ; periode (ww.) ; termijn (ww.) ; tijdsduur (ww.) ; tijdsbestek (ww.) ; tijdruimte (ww.) ; klokken (ww.) ; timen (ww.) ; de tijd opnemen (ww.)
the timede poos
time tijd ; maat ; vroeger ; uur
Bronnen: Vlietstra; interglot; Wakefield genealogy pages; Download IATE, European Union, 2017.; KNNV

Voorbeeldzinnen met `time`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
EN: case
EN: circumstance
EN: clip
EN: event
EN: example
EN: incident
EN: instance
EN: juncture
EN: occurrence
EN: period of time

Uitdrukkingen en gezegdes
EN: any time NL: tot uw dienst NL: graag gedaan
EN: close time NL: besloten jachttijd, vistijd
EN: it's your time now NL: nu heb je de gelegenheid
EN: in the nick of time NL: juist op tijd
EN: serve one's time= doing time NL: in de gevangenis zitten
EN: I had a good time NL: ik amuseerde me uitstekend
EN: those were times! NL: dat was nog eens een tijd!
EN: time and again NL: steeds weer
EN: many a time NL: vaak
EN: time after time NL: keer op keer
EN: what is the time? NL: hoe laat is het?
EN: beat time NL: de maat slaan
EN: keep time NL: maat houden, in de pas blijven, op tijd lopen (van uurwerk)
EN: mean time NL: gemiddelde tijd
EN: two at a time NL: twee tegelijk
EN: time out of mind=time immemorial NL: onheuglijke tijden
EN: so that's the time of day! NL: dus zo zit 't!
EN: the time of my life NL: de prettigste, interessantste, gewichtigste of onaangenaamste tijd van mijn leven
EN: time is up NL: de tijd is om, het is tijd
EN: give a person the time of day NL:

Staat je antwoord er niet bij of heb je een vraag waarbij het vertaalwoordenboek geen hulp kan bieden? Vraag het dan op `Vertaalhulp`
Download de Android App
Download de IOS App