Vertaal

Vertalingen snap EN>NL

1 (withat) to make a biting movement, to try to grasp with the teeth: “The dog snapped at his ankles.”
happen

2 to break with a sudden sharp noise: “He snapped the stick in half”
breken

3 to (cause to) make a sudden sharp noise, in moving etc: “The lid snapped shut.”
(doen) klappen

4 to speak in a sharp especially angry way: “'Mind your own business!' he snapped.”
snauwen

5 to take a photograph of: “He snapped the children playing in the garden.”
kieken

1 (the noise of) an act of snapping: “There was a loud snap as his pencil broke.”
krak

2 a photograph; a snapshot: “He wanted to show us his holiday snaps.”
kiekje

3 a kind of simple card game: “They were playing snap.”
snap
done, made etc quickly: “a snap decision.”
onverwacht

'snappy (Bijvoeglijk naamwoord)

1 irritable; inclined to snap: “He is always rather snappy on a Monday morning.”
bits

2 quick; prompt: “You'll have to be snappy if you're catching that bus!”
vlug

3 smart: “He's certainly a snappy dresser.”
chic

'snappily (Bijwoord)

opeens; snel; chic

'snappiness (Zelfstandig naamwoord)

chicheid, bitsheid

'snapshot (Zelfstandig naamwoord)

a photograph taken quickly and without a lot of equipment: “That's a good snapshot of the children playing in the garden.”
kiekje

snap one's fingers

to make a sharp noise by moving the thumb quickly across the top joint of the middle finger, as an informal gesture eg to attract someone's attention, mark the rhythm in music etc.
met de vingers knippen

snap up

to grab eagerly: “I saw this bargain in the shop and snapped it up straight away”
oppikken
© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
to snap toesnauwen (ww.) ; afsnauwen (ww.) ; afblaffen (ww.) ; afbekken (ww.) ; snauwen (ww.) ; snappen (ww.) ; springen (ww.) ; klappen (ww.) ; ontploffen (ww.) ; exploderen (ww.) ; uit elkaar spatten (ww.) ; uit elkaar springen (ww.) ; een knippend geluid maken (ww.) ; wapperen (ww.) ; fladderen (ww.) ; knakken (ww.) ; knappen (ww.) ; happen (ww.) ; toehappen (ww.) ; toebijten (ww.) ; dichtbijten (ww.)
the snapde koek (m) ; het koekje ; de biscuit (m) ; het kaakje
snap (bijv.naamw.) mooi (bijv.naamw.) ; knap (bijv.naamw.) ; fraai (bijv.naamw.) ; attractief (bijv.naamw.) ; goed ogend (bijv.naamw.) ; welgevallig (bijv.naamw.) ; elegant (bijv.naamw.) ; sierlijk (bijv.naamw.) ; gracieus (bijv.naamw.) ; biscuitje (bijv.naamw.)
snap afknappen ; breken in de zin van plotseling breken ; breuk in de zin van plotselinge breuk ; plotseling breken ; plotselinge breuk ; uitlijnen

Bronnen: interglot Vlietstra Autowoordenboek MWB
Synoniemen
EN: bang
EN: catch
EN: charming
EN: clap
EN: click
EN: grab
EN: snatch
EN: touch
EN: touching

Uitdrukkingen en gezegdes
EN: snap at NL: happen naar NL: toehappen NL: gretig aannemen
EN: snap into it NL: er opaf vliegen
EN: snap off NL: afbijten NL: afknappen NL: afsnauwen
EN: snap a person's head (nose) off NL: iemand bits in de rede vallen, iemand afsnauwen
EN: snap to NL: met een klik dichtgaan
EN: snap up NL: wegpikken NL: meepikken
EN: snap a person up NL: iemand bits in de rede vallen, de mond snoeren