Vertaal
Vertalingen pronounce EN>NL

1 to speak (words or sounds, especially in a certain way): “He pronounced my name wrongly”
uitspreken

2 to announce officially or formally: “He pronounced judgement on the prisoner.”
uitspreken

pro'nounceable (Bijvoeglijk naamwoord)

(negativeunpronounceable) able to be pronounced.
uitspreekbaar

pro'nounced (Bijvoeglijk naamwoord)

noticeable; definite: “He walks with a pronounced limp.”
uitgesproken

pro'nouncement (Zelfstandig naamwoord)

an announcement.
uitspraak

pro'nunci'ation (Zelfstandig naamwoord)

the act, or a way, of saying a word etc: “She had difficulty with the pronunciation of his name.”
uitspraak
© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
to pronounce uitspreken (ww.) ; uitpraten (ww.) ; verklaren (ww.) ; verkondigen (ww.)

Bronnen: interglot Wikipedia
Synoniemen
EN: articulate
EN: enounce
EN: enunciate
EN: finish
EN: say
EN: sound out
EN: speak
EN: utter
EN: vocalize
EN: voice








Staat je antwoord er niet bij of heb je een vraag waarbij het vertaalwoordenboek geen hulp kan bieden? Vraag het dan op `Vertaalhulp`