Vertaal
Vertalingen habit EN>NL

1 something which a person does usually or regularly: “the habit of going for a walk before bed”
gewoonte

2 a tendency to do the same things that one has always done: “I did it out of habit.”
uit gewoonte

3 clothes: “a monk's habit.”
habijt

habitual (Bijvoeglijk naamwoord)

1 having a habit of doing, being etc (something): “He's a habitual drunkard.”
gewoonte-

2 done etc regularly: “He took his habitual walk before bed.”
gewone, gewoonlijke

habitually (Bijwoord)

gewoon, gewoonlijk

from force of habit

because one is used to doing (something): “I took the cigarette from force of habit.”
uit gewoonte

get (someone) into

to make (a person) start or stop doing (something) as a habit: “I wish I could get out of the habit of biting my nails”
aanwennen; afwennen, afleren
© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
the habithet gebruik ; de gewoonte (v) ; de traditie (v) ; de usance ; de eigenaardigheid (v) ; de merkwaardigheid (v) ; de bijzondere geaardheid (v) ; de hebbelijkheid (v) ; de vreemdsoortigheid (v) ; kerkgewaad (znw.) ; liturgisch gewaad (znw.) ; priesterlijk ambtsgewaad (znw.) ; de pij ; het habijt ; geestelijk gewaad (znw.) ; het aanwensel

Bronnen: interglot Wakefield genealogy pages
Synoniemen
EN: compulsion
EN: craving
EN: dependence
EN: infatuation
EN: mannerism
EN: need
EN: obsession
EN: quirk
EN: way
EN: custom








Staat je antwoord er niet bij of heb je een vraag waarbij het vertaalwoordenboek geen hulp kan bieden? Vraag het dan op `Vertaalhulp`