Vertaal

Vertalingen forecast EN>NL
to tell about (something) before it happens: “He forecast good weather for the next three days.”
voorspellen
a statement about what is going to happen; a prediction: “forecasts about the economy.”
voorspelling
© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
to forecast voorspellen (ww.) ; wichelen (ww.) ; voorspelling (ww.) ; tevoren zeggen (ww.) ; voortellen (ww.)
the forecastde prognose ; de verwachting
forecast beduiden ; voorzeggen ; waarzeggen ; profeteren ; raming

Bronnen: interglot Wakefield genealogy pages Vlietstra
Synoniemen
EN: calculate
EN: calculation
EN: diagnosis
EN: envisage
EN: expect
EN: forecasting
EN: foresee
EN: foretell
EN: foretelling
EN: guess