Vertaal

Vertalingen arrange EN>NL

1 to put in some sort of order: “Arrange these books in alphabetical order”
schikken , rangschikken

2 to plan or make decisions (about future events): “We have arranged a meeting for next week”
afspreken

3 to make (a piece of music) suitable for particular voices or instruments: “music arranged for choir and orchestra.”
arrangeren

ar'rangement (Zelfstandig naamwoord)

: “I like the arrangement of the furniture”
schikking, arrangement

ar'rangements (noun plural)

plans; preparations: “Have you made any arrangments for a meeting with him?”
schikkingen
© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
to arrange afspreken (ww.) ; regelen (ww.) ; arrangeren (ww.) ; bedisselen (ww.) ; iets overeenkomen (ww.) ; iets op touw zetten (ww.) ; schikken (ww.) ; inrichten (ww.) ; installeren (ww.) ; rangschikken (ww.) ; rangordenen (ww.) ; uitzoeken (ww.) ; sorteren (ww.) ; schiften (ww.) ; coördineren (ww.) ; huis inrichten (ww.) ; instrumenteren (ww.) ; orkestreren (ww.) ; ordenen (ww.) ; indelen (ww.) ; opstellen (ww.) ; opzetten (ww.) ; vaststellen (ww.) ; rangeren (ww.)
arrange aanrichten ; terechtbrengen ; ruimen ; opruimen ; aanpassen

Bronnen: interglot Wakefield genealogy pages Vlietstra Omegawiki.org
Synoniemen
EN: classify
EN: order
EN: organize
EN: put in order
EN: regulate
EN: sort
EN: standardize
EN: build up
EN: constitute
EN: construct