Vertaal
Vertalingen du DE>NL

du

pronoun
Uitspraak:  [duː]

1) verwendet, um die angesprochene Person zu bezeichnen - jij
Kennst du dich damit aus? - Ken jij dit?
Hast du dir überlegt, was wir heute machen wollen? - Heb jij nagedacht wat we vandaag zullen doen?
uitdrukking (mit jdm) per du sein
uitdrukking jemandem das Du anbieten

2) für unpersönliche Aussagen verwendet - men
Heutzutage kommst du ohne Handy gar nicht mehr aus. - Vandaag de dag kan men niet meer zonder mobieltje.

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
du (bijv.naamw.) je (bijv.naamw.)
du gij (Vlaams) ; jij

Bron: interglot
Synoniemen
DE: dich

Uitdrukkingen en gezegdes
DE: du! NL: hé, zeg!






Staat je antwoord er niet bij of heb je een vraag waarbij het vertaalwoordenboek geen hulp kan bieden? Vraag het dan op `Vertaalhulp`