|
|
Vertaling van donnern, DE>NL
Donnern das ~onweer (het ~), donderbui (de ~), onweren (ww.), donderen (ww.)Donnern ww.knallen, razen, tieren, tekeergaan, fulmineren, woeden, uitroepen, brullen, uitschreeuwen, het uitgillen, onweren, donderenSynoniemen Toon alle 50 | Verberg NL: geraas (het ~), gebrul (het ~), gebulder (het ~), geloei (het ~), l...NL: onweer (het ~), donderbui (de ~)NL: onweer (het ~), donderbui (de ~), storm (de ~ (m)), zwaar weer (znw...NL: smakkend eten (ww.)NL: rommeling (de ~ (v))NL: klappen (ww.), knallen (ww.), smakken (ww.)NL: knor (de ~ (m))NL: geschal (het ~), geschetter (het ~), schetterend geluid (znw.), get...NL: glinstering (de ~ (v)), fonkeling (de ~ (v)), gefonkel (znw.)NL: vallen (ww.), tuimelen (ww.), afname (de ~), daling (de ~ (v)), min...NL: kraken (ww.)NL: gestuif (znw.), suizing (de ~ (v)), gesuis (het ~)NL: joelen (ww.), hoon (de ~ (m)), hoongelach (het ~), gescheld (znw.),...NL: geblaf (het ~), gekef (znw.)NL: gestommel (het ~)NL: scandering (znw.)NL: roepen (ww.), schreeuwen (ww.), gillen (ww.), kreten (de ~), lokroe...NL: donder (de ~ (m)), donderen (ww.)NL: grasveld (het ~), gazon (het ~), grasperk (het ~), grasmat (de ~), ...NL: stoeien, dollen, ravotten, zich uitleven, wild spelen, wild rennen,...NL: rennen, hardlopen, reppen, jachten, spoeden, jakkeren, razen, tiere...NL: lachen, schateren, herhalen, napraten, nabouwen, nazeggen, echoën,...NL: slobberen, opslobberen, smakkend eten, onweren, donderenNL: onweren, donderen, wrok voelen tegenNL: slijmen, slijm opgeven, kwijlen, zeveren, onweren, donderenNL: onweren, donderenNL: schieten, vuren, afvuren, afschieten, schoten lossen, knallen, onwe...NL: razen, tieren, tekeergaan, fulmineren, te keer gaan, kwaad zijn, sc...NL: klagen, mopperen, brommen, kankeren, pruttelen, morren, over iets m...NL: beledigen, schelden, uitschelden, uitjouwen, uitmaken voor, fulmine...NL: golven, deinen, knallen, neerwerpen, omlaag werpen, naar beneden we...NL: golven, deinen, glippen, wegglippen, floepen, schommelen, slingeren...NL: oplichten, flitsen, bliksemen, weerlichten, glimmen, glinsteren, fo...NL: vallen, onderuitgaan, op zijn bek gaan, ten val komen, afnemen, ach...NL: knallenNL: knallen, denderen, dreunen, daverenNL: neuken, vozen, geslachtsgemeenschap hebben, vrijen, paren, sexuele ...NL: zingen, uitroepen, brullen, uitschreeuwen, het uitgillenNL: uitroepen, brullen, uitschreeuwen, het uitgillenNL: zakken, kelderen, ruisen, suizen, suizelen, uitroepen, brullen, uit...NL: schreeuwen, blaffen, brullen, bulderen, uitroepen, uitschreeuwen, h...NL: onderbrengen, huizen, huisvesten, herbergen, accommoderen, onderdak...NL: uitroepen, brullen, uitschreeuwen, het uitgillen, blaffen, keffenNL: schreeuwen, blaffen, brullen, bulderen, uitroepen, uitschreeuwen, h...NL: vliegen, opschieten, jagen, ijlen, snellen, zich haasten, reppen, j...NL: schreeuwen, blaffen, brullen, bulderen, daveren, uitroepen, uitschr...NL: uitroepen, brullen, uitschreeuwen, het uitgillen, blèren, scanderenNL: huilen, brullen, janken, krijsen, schreien, wenen, uitroepen, uitsc...NL: roepen, huilen, schreien, schreeuwen, blaffen, brullen, bulderen, g...NL: tempo maken, uitroepen, brullen, uitschreeuwen, het uitgillen, afve... | |