Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen van meteen

Klik op een synoniem om verder te zoeken.

Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


Woord: meteen (Bijvoeglijk naamwoord)
Synoniem van meteen: aanstonds
Synoniem van meteen: daarnet
Synoniem van meteen: daarstraks
Synoniem van meteen: dadelijk
Synoniem van meteen: direct
Synoniem van meteen: gelijk
Synoniem van meteen: juist
Synoniem van meteen: net
Synoniem van meteen: nu
Synoniem van meteen: onmiddellijk
Synoniem van meteen: pas
Synoniem van meteen: schielijk
Synoniem van meteen: subiet
Synoniem van meteen: terstond
Synoniem van meteen: zo

meteen in het puzzelwoordenboek:


meteen: À la minute
meteen: Acuut
meteen: Aanstonds
meteen: Bijwoord
meteen: Bijwoord van tijd
meteen: Daarnet
meteen: Daarstraks
meteen: Direct
meteen: Dadelijk
meteen: Dra
meteen: Fluks
meteen: Gelijk doen
meteen: Gauw
meteen: Gelijk
meteen: Heel gauw
meteen: In een wip
meteen: Juist
meteen: Langzamerhand
meteen: Net
meteen: Niet straks
meteen: Nu
meteen: Omgaand
meteen: Ogenblikkelijk
meteen: Onmiddellijk (met dubbele l aub)
meteen: Onmiddelijk
meteen: Op stel en sprong
meteen: Onmiddellijk
meteen: Onverwijld
meteen: Op staande voet
meteen: Pas
meteen: Prompt
meteen: Rechtstreeks
meteen: Regelrecht
meteen: Stante pede
meteen: Schielijk
meteen: Spoedig
meteen: Spoorslags
meteen: Staandevoets
meteen: Subiet
meteen: Temets
meteen: Temet
meteen: Temee
meteen: Tegelijk
meteen: Tegelijkertijd
meteen: Terstond
meteen: Zonder te aarzelen
meteen: Zonder aarzelen
meteen: Zo aanstonds
meteen: Zonder dralen
meteen: Zonder meer
meteen: Zonder verlet
meteen: Zo
meteen: Zonder uitstel



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English