| Woord | Synoniem |
| zeurpiet | zeurkous (zelfst. naamw.) zemel (zelfst. naamw.) zeikerd (zelfst. naamw.) geitenbreier (zelfst. naamw.) |
| zeven | doorzijgen (werkwoord) schiften (werkwoord) theezeefjes (zelfst. naamw.) ziften (werkwoord) filtreren (werkwoord) filteren (werkwoord) |
| zevenklapper | klapper (zelfst. naamw.) rotje (zelfst. naamw.) |
| zevenvoud | zevenvoudig (overig.) |
| zevenvoudig | zevenvoud (bijv. naamw.) |
| zever | vergiet (zelfst. naamw.) zeur (zelfst. naamw.) zeef (zelfst. naamw.) klens (zelfst. naamw.) |
| zeveraar | slijmerd (zelfst. naamw.) kwijler (zelfst. naamw.) |
| zeveren | bazelen (werkwoord) kwijlen (werkwoord) onzin praten (werkwoord) zwetsen (werkwoord) zwammen (werkwoord) lullen (werkwoord) zeuren (overig.) |
| zich | zichzelf (overig.) |
| zich afspelen | zich voordoen (overig.) |
| zich eigen maken | instuderen (overig.) |
| zich ontlasten | dirken (werkwoord) |
| zich realiseren | beseffen (werkwoord) |
| zich voordoen | zich afspelen (overig.) |
| zicht | gezicht (zelfst. naamw.) gezichtsveld (zelfst. naamw.) inzicht (zelfst. naamw.) sikkel (zelfst. naamw.) uitzicht (zelfst. naamw.) vue (zelfst. naamw.) vergezicht (zelfst. naamw.) prospect (zelfst. naamw.) panorama (zelfst. naamw.) kijk (zelfst. naamw.) |
| zichtbaar | aanschouwelijk (bijv. naamw.) kennelijk (bijv. naamw.) manifest (bijv. naamw.) uiterlijk (bijv. naamw.) waarneembaar (bijv. naamw.) duidelijk (bijv. naamw.) zienderogen (bijv. naamw.) voelbaar (bijv. naamw.) tastbaar (bijv. naamw.) merkbaar (bijv. naamw.) hoorbaar (bijv. naamw.) herkenbaar (bijv. naamw.) bemerkbaar (bijv. naamw.) |
| zichzelf | zich (overig.) |
| zie | aanschouwen (werkwoord) bespeuren (werkwoord) observeren (werkwoord) waarnemen (werkwoord) |
| zie! | kijk! (overig.) |
| ziedaar | ziezo (overig.) kijk (overig.) hierzo (overig.) hier (overig.) alstublieft (overig.) alsjeblieft (overig.) |
| zieden | briesen (werkwoord) koken (zelfst. naamw.) |
| ziedend | bruisend (bijv. naamw.) razend (bijv. naamw.) kokend (bijv. naamw.) woest (bijv. naamw.) vertoornd (bijv. naamw.) toornig (bijv. naamw.) spinnijdig (bijv. naamw.) nijdig (bijv. naamw.) kwaad (bijv. naamw.) furieus (bijv. naamw.) boos (bijv. naamw.) |
| ziehier | geleden (overig.) alstublieft (overig.) |
| ziek | beroerd (bijv. naamw.) naargeestig (bijv. naamw.) onwel (bijv. naamw.) |
| zieke | patiënt (Zelfst. Naamw.) |
| ziekelijk | abnormaal (bijv. naamw.) bleekjes (bijv. naamw.) kwakkelig (bijv. naamw.) pathologisch (bijv. naamw.) zwak (bijv. naamw.) wee (bijv. naamw.) slapjes (bijv. naamw.) slap (bijv. naamw.) pips (bijv. naamw.) ongezond (Bijvoeglijk naamwoord) |
| zieken | sarren (werkwoord) zeuren (werkwoord) uitdagen (werkwoord) treiteren (werkwoord) tergen (werkwoord) tarten (werkwoord) stangen (werkwoord) plagen (werkwoord) pesten (werkwoord) jennen (werkwoord) |
| ziekenauto | ziekenwagen (Zelfst. Naamw.) ambulance (Zelfst. Naamw.) |
| ziekenbezoek | doktersbezoek (zelfst. naamw.) huisbezoek (zelfst. naamw.) |
| ziekenboeg | ziekenzalen (overig.) ziekenzaal (overig.) ziekenboegen (overig.) |
| ziekenboegen | ziekenzalen (overig.) ziekenzaal (overig.) ziekenboeg (overig.) |
| ziekenbroe | ziekenoppasser (overig.) verpleger (overig.) hulp (overig.) diaken (overig.) broe (overig.) |
| ziekenhuis | gasthuis (zelfst. naamw.) hospitaal (zelfst. naamw.) |
| ziekenhuisopname | opname (zelfst. naamw.) |
| ziekenoppasser | ziekenbroe (overig.) verpleger (overig.) hulp (overig.) diaken (overig.) broe (overig.) |
| ziekenwagen | ziekenauto (zelfst. naamw.) ziekenwagen (Zelfst. Naamw.) ambulance (Zelfst. Naamw.) |
| ziekenzaal | zaal (zelfst. naamw.) ziekenzalen (zelfst. naamw.) ziekenboegen (zelfst. naamw.) ziekenboeg (zelfst. naamw.) |
| ziekenzalen | ziekenzaal (overig.) ziekenboegen (overig.) ziekenboeg (overig.) |
| ziekjes | ongezond (bijv. naamw.) |
| ziekte | aandoening (zelfst. naamw.) afwijking (zelfst. naamw.) ongemak (zelfst. naamw.) kwaal (zelfst. naamw.) |
| ziektebeeld | syndroom (zelfst. naamw.) |
| ziektecijfer | morbiditeit (zelfst. naamw.) |
| ziektekostenverzekering | ziekteverzekering (zelfst. naamw.) |
| ziektesymptoom | symptoom (zelfst. naamw.) |