Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `Z`

Pagina 6 van 22 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
zeker
toch (bijv. naamw.)
ook (bijv. naamw.)
immers (bijv. naamw.)
vast (bijv. naamw.)
ronduit (bijv. naamw.)
beslist (bijv. naamw.)
absoluut (bijv. naamw.)
waarachtig (bijv. naamw.)
voorzeker (bijv. naamw.)
reëel (bijv. naamw.)
heus (bijv. naamw.)
gewis (bijv. naamw.)
geheid (bijv. naamw.)
echt (bijv. naamw.)
iemand (bijv. naamw.)
een (bijv. naamw.)
volvertrouwen (bijv. naamw.)
vertrouwd (bijv. naamw.)
volstrekt (bijv. naamw.)
vaststaand (bijv. naamw.)
pertinent (bijv. naamw.)
zontwijfel (bijv. naamw.)
vanzelfsprekend (bijv. naamw.)
onontkomelijk (bijv. naamw.)
natuurlijk (bijv. naamw.)
logisch (bijv. naamw.)
dus (bijv. naamw.)
bijgevolg (bijv. naamw.)
feitelijk (bijv. naamw.)
stellig (Bijvoeglijk naamwoord)
bepaald (pronoun)
zekere
bepaald (overig.)
zekerheid
beslistheid (zelfst. naamw.)
vastheid (zelfst. naamw.)
vastigheid (zelfst. naamw.)
veiligheid (zelfst. naamw.)
volstrektheid (zelfst. naamw.)
zelfvertrouwen (zelfst. naamw.)
stelligheid (zelfst. naamw.)
gewisheid (zelfst. naamw.)
zelfverzekerdheid (zelfst. naamw.)
vastberadenheid (zelfst. naamw.)
zekerheidsstelling
waarborging (zelfst. naamw.)
vrijwaring (zelfst. naamw.)
verzekering (zelfst. naamw.)
vaststelling (zelfst. naamw.)
inbeslagneming (zelfst. naamw.)
beveiliging (zelfst. naamw.)
zekerheidstelling
onderpand (zelfst. naamw.)
zekering
stop (zelfst. naamw.)
zekerstellen
verifieren (werkwoord)
nagaan (werkwoord)
zelden
sporadisch (bijv. naamw.)
zeldzaam (bijv. naamw.)
bijna nooit (bijv. naamw.)
incidenteel (bijv. naamw.)
uniek (bijv. naamw.)
uitzonderlijk (bijv. naamw.)
schaars (bijv. naamw.)
raar (bijv. naamw.)
ongewoon (bijv. naamw.)
ongemeen (bijv. naamw.)
zeldzaam
ongewoon (bijv. naamw.)
raar (bijv. naamw.)
uitzonderlijk (bijv. naamw.)
uniek (bijv. naamw.)
vreemd (bijv. naamw.)
zelden (bijv. naamw.)
buitengewoon (bijv. naamw.)
sporadisch (bijv. naamw.)
ongemeen (bijv. naamw.)
schaars (Bijvoeglijk naamwoord)
zeldzaamheid
bijzonderheid (zelfst. naamw.)
rariteit (zelfst. naamw.)
schaarsheid (zelfst. naamw.)
curiositeit (zelfst. naamw.)
zelf
eigenhandig (bijv. naamw.)
ikzelf (bijv. naamw.)
identiteit (zelfst. naamw.)
innerlijk (zelfst. naamw.)
persoonlijk (zelfst. naamw.)
zelve (zelfst. naamw.)
zelfbedrog
begoocheling (zelfst. naamw.)
illusie (zelfst. naamw.)
zelfbeheersing
beheersing (zelfst. naamw.)
controle (zelfst. naamw.)
discipline (zelfst. naamw.)
zelfbeschikking
monopolie (overig.)
zelfbesef
zelfbewustzijn (zelfst. naamw.)
zelfbespiegeling
zelfkritiek (overig.)
zelfbezinning (zelfst. naamw.)
zelfreflectie (overig.)
zelfbestuur
autonomie (zelfst. naamw.)
zelfbevlekking
zelfbevrediging (zelfst. naamw.)
zelfbevrediging
masturbatie (zelfst. naamw.)
soloseks (zelfst. naamw.)
onanie (zelfst. naamw.)
zelfbewust
assertief (bijv. naamw.)
fier (bijv. naamw.)
parmantig (bijv. naamw.)
stellig (bijv. naamw.)
pedant (bijv. naamw.)
zelfverzekerd (Bijvoeglijk naamwoord)
zelfbewustheid
zelfverzekerdheid (zelfst. naamw.)
zelfbewustzijn
zelfbesef (zelfst. naamw.)
zelfbezinning
zelfkritiek (overig.)
zelfbespiegeling (zelfst. naamw.)
zelfdiscipline
zelfbeheersing (zelfst. naamw.)
zelfdoding
zelfmoord (zelfst. naamw.)
suïci (zelfst. naamw.)
zelfgenoegzaam
tevreden (bijv. naamw.)
zelfingenomen (bijv. naamw.)
verwaand (bijv. naamw.)
neerbuigend (bijv. naamw.)
hovaardig (bijv. naamw.)
hoogmoedig (bijv. naamw.)
hooghartig (bijv. naamw.)
hautain (bijv. naamw.)
arrogant (bijv. naamw.)
aanmatigend (bijv. naamw.)
schoolmeesterachtig (bijv. naamw.)
pedant (bijv. naamw.)
ingebeeld (bijv. naamw.)
frikkerig (bijv. naamw.)
belerend (bijv. naamw.)
ijdel (bijv. naamw.)
zelfgenoegzaamheid
zelfingenomenheid (zelfst. naamw.)
ijdelheid (zelfst. naamw.)
hoogmoed (zelfst. naamw.)
eigenwaan (zelfst. naamw.)
eigendunk (zelfst. naamw.)
egotisme (zelfst. naamw.)
arrogantie (zelfst. naamw.)
zelfgevoel
zelfrespect (overig.)
waardigheid (overig.)
zelfhechtend
zelfklevend (bijv. naamw.)
zelfherstellend vermogen
veerkracht ()
degradeerbaarheid ()
zelfhulp
zelfbevrediging (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English