| Woord | Synoniem |
| zegenen | consacreren (werkwoord) inzegenen (werkwoord) loven (werkwoord) zegen (zelfst. naamw.) zegening (werkwoord) zaligheid (werkwoord) voorspoed (werkwoord) heil (werkwoord) gezegentoestand (werkwoord) wijden (werkwoord) inwijden (werkwoord) heiligen (werkwoord) wijding (werkwoord) |
| zegening | gave (zelfst. naamw.) zegenwens (zelfst. naamw.) zegenen (zelfst. naamw.) zaligheid (zelfst. naamw.) voorspoed (zelfst. naamw.) heil (zelfst. naamw.) gezegentoestand (zelfst. naamw.) wijding (zelfst. naamw.) heiliging (zelfst. naamw.) |
| zegenrijk | heilzaam (bijv. naamw.) gelukkig (bijv. naamw.) |
| zegenrijkheid | heilzaamheid (zelfst. naamw.) |
| zegenwens | zegen (zelfst. naamw.) zegening (zelfst. naamw.) |
| zegenwensen | heilwensen (overig.) |
| zegepraal | intocht (zelfst. naamw.) overwinning (zelfst. naamw.) triomf (zelfst. naamw.) |
| zegepralen | triomferen (werkwoord) |
| zegepralend | triomfantelijk (overig.) zegevierend (overig.) |
| zegeteken | trofee (zelfst. naamw.) |
| zegetocht | triomftocht (zelfst. naamw.) |
| zegevieren | verslaan (werkwoord) overwinnen (werkwoord) bevangen (werkwoord) winnen (werkwoord) triomferen (Werkwoord) |
| zegevierend | triomfantelijk (overig.) zegepralend (overig.) |
| zegge | cypergras (zelfst. naamw.) |
| zeggen | aanmerken (werkwoord) aannemen (werkwoord) beduiden (werkwoord) beloven (werkwoord) bevelen (werkwoord) meedelen (werkwoord) menen (werkwoord) vertellen (werkwoord) voorschrijven (werkwoord) verklaring (zelfst. naamw.) informeren (werkwoord) verhalen (werkwoord) uiteenzetten (werkwoord) mededelen (werkwoord) beschrijven (werkwoord) opzeggen (werkwoord) verwoorden (werkwoord) opmerken (werkwoord) |
| zeggenschap | beheer (zelfst. naamw.) gezag (zelfst. naamw.) stem (zelfst. naamw.) voogdij (zelfst. naamw.) zorg (zelfst. naamw.) toezicht (zelfst. naamw.) hoede (zelfst. naamw.) controle (zelfst. naamw.) bewaking (zelfst. naamw.) bescherming (zelfst. naamw.) beslissingsrecht (Zelfst. Naamw.) |
| zegsman | informant (zelfst. naamw.) woordvoer (zelfst. naamw.) seinsleutel (zelfst. naamw.) noodrem (zelfst. naamw.) |
| zegswijze | frase (zelfst. naamw.) gezegde (zelfst. naamw.) spreuk (zelfst. naamw.) uitdrukking (zelfst. naamw.) zin (zelfst. naamw.) fra (zelfst. naamw.) |
| zegt | zij (overig.) grootspreekster (overig.) declamatrice (overig.) declamator (overig.) |
| zei | vertellen (werkwoord) |
| zeik | pis (overig.) urine (overig.) |
| zeiken | griepen (werkwoord) talmen (werkwoord) plassen (zelfst. naamw.) zeuren (zelfst. naamw.) zaniken (zelfst. naamw.) teuten (zelfst. naamw.) hannesen (zelfst. naamw.) druilen (zelfst. naamw.) drentelen (zelfst. naamw.) dralen (zelfst. naamw.) aarzelen (zelfst. naamw.) treuzelen (zelfst. naamw.) klieren (zelfst. naamw.) etteren (zelfst. naamw.) pissen (Werkwoord) piesen (Werkwoord) |
| zeikerd | zeurkous (zelfst. naamw.) zeurpiet (zelfst. naamw.) zeur (zelfst. naamw.) zemel (zelfst. naamw.) geitenbreier (zelfst. naamw.) |
| zeiknat | poedelnat (overig.) kletsnat (overig.) kleddernat (overig.) drijfnat (overig.) doornat (overig.) |
| zeil | bedzeiltje (zelfst. naamw.) bramzeil (zelfst. naamw.) dekzeil (zelfst. naamw.) linoleum (zelfst. naamw.) |
| zeilboot | boot (zelfst. naamw.) |
| zeilboten | zeilschepen (zelfst. naamw.) |
| zeildoek | zeil (zelfst. naamw.) |
| zeildoeken | zeilen (zelfst. naamw.) |
| zeilen | glijden (werkwoord) stevenen (werkwoord) varen (werkwoord) watersport (zelfst. naamw.) zeildoeken (zelfst. naamw.) |
| zeiljacht | jacht (zelfst. naamw.) |
| zeilschepen | zeilboten (zelfst. naamw.) |
| zeilschip | schip (zelfst. naamw.) |
| zeiltje | zeil (zelfst. naamw.) |
| zeilvaartuig | brik (overig.) |
| zeilwedstrijd | regatta (zelfst. naamw.) |
| zeilwerk | tuigage (overig.) |
| zeis | zicht (zelfst. naamw.) |