Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `Z`

Pagina 5 van 22 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
zegenen
consacreren (werkwoord)
inzegenen (werkwoord)
loven (werkwoord)
zegen (zelfst. naamw.)
zegening (werkwoord)
zaligheid (werkwoord)
voorspoed (werkwoord)
heil (werkwoord)
gezegentoestand (werkwoord)
wijden (werkwoord)
inwijden (werkwoord)
heiligen (werkwoord)
wijding (werkwoord)
zegening
gave (zelfst. naamw.)
zegenwens (zelfst. naamw.)
zegenen (zelfst. naamw.)
zaligheid (zelfst. naamw.)
voorspoed (zelfst. naamw.)
heil (zelfst. naamw.)
gezegentoestand (zelfst. naamw.)
wijding (zelfst. naamw.)
heiliging (zelfst. naamw.)
zegenrijk
heilzaam (bijv. naamw.)
gelukkig (bijv. naamw.)
zegenrijkheid
heilzaamheid (zelfst. naamw.)
zegenwens
zegen (zelfst. naamw.)
zegening (zelfst. naamw.)
zegenwensen
heilwensen (overig.)
zegepraal
intocht (zelfst. naamw.)
overwinning (zelfst. naamw.)
triomf (zelfst. naamw.)
zegepralen
triomferen (werkwoord)
zegepralend
triomfantelijk (overig.)
zegevierend (overig.)
zegeteken
trofee (zelfst. naamw.)
zegetocht
triomftocht (zelfst. naamw.)
zegevieren
verslaan (werkwoord)
overwinnen (werkwoord)
bevangen (werkwoord)
winnen (werkwoord)
triomferen (Werkwoord)
zegevierend
triomfantelijk (overig.)
zegepralend (overig.)
zegge
cypergras (zelfst. naamw.)
zeggen
aanmerken (werkwoord)
aannemen (werkwoord)
beduiden (werkwoord)
beloven (werkwoord)
bevelen (werkwoord)
meedelen (werkwoord)
menen (werkwoord)
vertellen (werkwoord)
voorschrijven (werkwoord)
verklaring (zelfst. naamw.)
informeren (werkwoord)
verhalen (werkwoord)
uiteenzetten (werkwoord)
mededelen (werkwoord)
beschrijven (werkwoord)
opzeggen (werkwoord)
verwoorden (werkwoord)
opmerken (werkwoord)
zeggenschap
beheer (zelfst. naamw.)
gezag (zelfst. naamw.)
stem (zelfst. naamw.)
voogdij (zelfst. naamw.)
zorg (zelfst. naamw.)
toezicht (zelfst. naamw.)
hoede (zelfst. naamw.)
controle (zelfst. naamw.)
bewaking (zelfst. naamw.)
bescherming (zelfst. naamw.)
beslissingsrecht (Zelfst. Naamw.)
zegsman
informant (zelfst. naamw.)
woordvoer (zelfst. naamw.)
seinsleutel (zelfst. naamw.)
noodrem (zelfst. naamw.)
zegswijze
frase (zelfst. naamw.)
gezegde (zelfst. naamw.)
spreuk (zelfst. naamw.)
uitdrukking (zelfst. naamw.)
zin (zelfst. naamw.)
fra (zelfst. naamw.)
zegt
zij (overig.)
grootspreekster (overig.)
declamatrice (overig.)
declamator (overig.)
zei
vertellen (werkwoord)
zeik
pis (overig.)
urine (overig.)
zeiken
griepen (werkwoord)
talmen (werkwoord)
plassen (zelfst. naamw.)
zeuren (zelfst. naamw.)
zaniken (zelfst. naamw.)
teuten (zelfst. naamw.)
hannesen (zelfst. naamw.)
druilen (zelfst. naamw.)
drentelen (zelfst. naamw.)
dralen (zelfst. naamw.)
aarzelen (zelfst. naamw.)
treuzelen (zelfst. naamw.)
klieren (zelfst. naamw.)
etteren (zelfst. naamw.)
pissen (Werkwoord)
piesen (Werkwoord)
zeikerd
zeurkous (zelfst. naamw.)
zeurpiet (zelfst. naamw.)
zeur (zelfst. naamw.)
zemel (zelfst. naamw.)
geitenbreier (zelfst. naamw.)
zeiknat
poedelnat (overig.)
kletsnat (overig.)
kleddernat (overig.)
drijfnat (overig.)
doornat (overig.)
zeil
bedzeiltje (zelfst. naamw.)
bramzeil (zelfst. naamw.)
dekzeil (zelfst. naamw.)
linoleum (zelfst. naamw.)
zeilboot
boot (zelfst. naamw.)
zeilboten
zeilschepen (zelfst. naamw.)
zeildoek
zeil (zelfst. naamw.)
zeildoeken
zeilen (zelfst. naamw.)
zeilen
glijden (werkwoord)
stevenen (werkwoord)
varen (werkwoord)
watersport (zelfst. naamw.)
zeildoeken (zelfst. naamw.)
zeiljacht
jacht (zelfst. naamw.)
zeilschepen
zeilboten (zelfst. naamw.)
zeilschip
schip (zelfst. naamw.)
zeiltje
zeil (zelfst. naamw.)
zeilvaartuig
brik (overig.)
zeilwedstrijd
regatta (zelfst. naamw.)
zeilwerk
tuigage (overig.)
zeis
zicht (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English