| Woord | Synoniem |
| weerkun | meteo (overig.) |
| weerkundig | meteorologisch (bijv. naamw.) |
| weerleggen | bestrijden (werkwoord) ontkrachten (werkwoord) ontzenuwen (werkwoord) |
| weerlegging | tegenbewijs (zelfst. naamw.) |
| weerlicht | licht (zelfst. naamw.) bliksem (zelfst. naamw.) |
| weerlichten | lichten (werkwoord) bliksemen (werkwoord) bliksems (werkwoord) |
| weerloos | hulpeloos (bijv. naamw.) |
| weerloosheid | zwakte (zelfst. naamw.) |
| weerom | weder (bijv. naamw.) weer (bijv. naamw.) terecht (bijv. naamw.) |
| weerschallen | schallen (overig.) weerklinken (overig.) weerkaatsen (overig.) weergalmen (overig.) resoneren (overig.) galmen (overig.) echoën (overig.) |
| weerschijn | glans (zelfst. naamw.) weerspiegeling (zelfst. naamw.) weerkaatsing (zelfst. naamw.) spiegeling (zelfst. naamw.) reflectie (zelfst. naamw.) |
| weerschijnen | weerkaatsen (werkwoord) weerspiegelen (zelfst. naamw.) |
| weersgesteldheid | klimaat (zelfst. naamw.) weer (zelfst. naamw.) weersomstandigheden (zelfst. naamw.) |
| weerslag | terugslag (zelfst. naamw.) |
| weersomstandigheden | weersgesteldheid (zelfst. naamw.) weer (zelfst. naamw.) klimaat (zelfst. naamw.) |
| weerspannig | balorig (bijv. naamw.) dwars (bijv. naamw.) koppig (bijv. naamw.) ongehoorzaam (bijv. naamw.) onwillig (bijv. naamw.) oproerig (bijv. naamw.) opstandig (bijv. naamw.) rebels (bijv. naamw.) recalcitrant (bijv. naamw.) stijfhoofdig (bijv. naamw.) tegendraads (bijv. naamw.) weerbarstig (bijv. naamw.) bokkig (bijv. naamw.) |
| weerspannigheid | weerbarstigheid (zelfst. naamw.) stijfkoppigheid (zelfst. naamw.) stijfhoofdigheid (zelfst. naamw.) koppigheid (zelfst. naamw.) hardnekkigheid (zelfst. naamw.) hardhoofdigheid (zelfst. naamw.) halsstarrigheid (zelfst. naamw.) onwil (zelfst. naamw.) |
| weerspiegelen | reflecteren (werkwoord) terugkaatsen (werkwoord) weerschijnen (zelfst. naamw.) weergeven (Werkwoord) |
| weerspiegeling | spiegeling (zelfst. naamw.) weerschijn (zelfst. naamw.) weerkaatsing (zelfst. naamw.) reflectie (Zelfst. Naamw.) |
| weerspreken | tegenspreken (werkwoord) tegenwerpen (werkwoord) protesteren (werkwoord) |
| weerstaan | stand houden (werkwoord) |
| weerstand | aversie (zelfst. naamw.) incasseringsvermogen (zelfst. naamw.) rebellie (zelfst. naamw.) tegendruk (zelfst. naamw.) verzet (zelfst. naamw.) weerstandsvermogen (zelfst. naamw.) veerkracht (zelfst. naamw.) tegenwicht (zelfst. naamw.) tegengewicht (zelfst. naamw.) tegenstand (zelfst. naamw.) opstand (zelfst. naamw.) resistentie (Zelfst. Naamw.) |
| weerstandsvermogen | incasseringsvermogen (zelfst. naamw.) resistentie (zelfst. naamw.) weerstand (zelfst. naamw.) veerkracht (zelfst. naamw.) |
| weerstreven | trotseren (werkwoord) tegenwerken (werkwoord) tegenstreven (werkwoord) tegengaan (werkwoord) |
| weersverwachting | weerbericht (zelfst. naamw.) weersvoorspelling (zelfst. naamw.) |
| weersvoorspelling | weersverwachting (zelfst. naamw.) |
| weerwerk | tegenspel (zelfst. naamw.) |
| weerwoord | antwoord (zelfst. naamw.) beantwoording (zelfst. naamw.) bescheid (zelfst. naamw.) reactie (zelfst. naamw.) repliek (zelfst. naamw.) retort (zelfst. naamw.) |
| weerwraak | represaille (zelfst. naamw.) |
| weerzien | hereniging (zelfst. naamw.) reunie (zelfst. naamw.) wederzien (werkwoord) |
| weerzin | afschuw (zelfst. naamw.) antipathie (zelfst. naamw.) aversie (zelfst. naamw.) schrik (zelfst. naamw.) tegenzin (zelfst. naamw.) walging (zelfst. naamw.) onverenigbaarheid (zelfst. naamw.) hek (zelfst. naamw.) gruwen (zelfst. naamw.) afgrijzen (zelfst. naamw.) afkeer (Zelfst. Naamw.) |
| weerzinwekkend | afstotend (bijv. naamw.) goor (bijv. naamw.) smerig (bijv. naamw.) stuitend (bijv. naamw.) ziek (bijv. naamw.) afstotelijk (bijv. naamw.) afzichtelijk (bijv. naamw.) monsterlijk (bijv. naamw.) verfoeilijk (bijv. naamw.) walgelijk (bijv. naamw.) misselijkmakend (bijv. naamw.) vies (bijv. naamw.) ranzig (bijv. naamw.) onverkwikkelijk (bijv. naamw.) lelijk (bijv. naamw.) afschuwelijk (Bijvoeglijk naamwoord) vreselijk (Bijvoeglijk naamwoord) |
| wees | weeskind (zelfst. naamw.) |
| weeskind | wees (zelfst. naamw.) |
| weet | weten (werkwoord) wetenschap (zelfst. naamw.) |
| weetgierig | belangstellend (bijv. naamw.) |
| weetgraag | nieuwsgierig (bijv. naamw.) |