| Woord | Synoniem |
| vastslaan | spijkeren (werkwoord) vastspijkeren (werkwoord) vastnagelen (werkwoord) timmeren (werkwoord) klinken (werkwoord) |
| vastspelden | vastprikken (werkwoord) vastpinnen (werkwoord) |
| vastspijkeren | vastslaan (werkwoord) vastnagelen (werkwoord) timmeren (werkwoord) spijkeren (werkwoord) klinken (werkwoord) |
| vaststaan | besloten zijn (werkwoord) zeker zijn (werkwoord) |
| vaststaand | definitief (bijv. naamw.) onbetwistbaar (bijv. naamw.) onvoorwaardelijk (bijv. naamw.) zeker (bijv. naamw.) volstrekt (bijv. naamw.) pertinent (bijv. naamw.) absoluut (bijv. naamw.) vastgesteld (bijv. naamw.) permanent (bijv. naamw.) |
| vaststaanleerstelling | dogma (overig.) |
| vaststaanmening | overtuiging (zelfst. naamw.) gezindheid (overig.) |
| vaststampen | aanstampen (overig.) |
| vaststellen | beoordelen (werkwoord) beslissen (werkwoord) constateren (werkwoord) determineren (werkwoord) identificeren (werkwoord) bepaalde (zelfst. naamw.) bepalen (zelfst. naamw.) bepalend (zelfst. naamw.) vastmaken (werkwoord) tuigeren (werkwoord) fixeren (werkwoord) bevestigen (werkwoord) bevinden (werkwoord) uitmaken (werkwoord) opsporen (werkwoord) ontdekken (werkwoord) |
| vaststelling | bepaling (zelfst. naamw.) constatering (zelfst. naamw.) instelling (zelfst. naamw.) zekerheidsstelling (zelfst. naamw.) waarborging (zelfst. naamw.) vrijwaring (zelfst. naamw.) verzekering (zelfst. naamw.) inbeslagneming (zelfst. naamw.) beveiliging (zelfst. naamw.) |
| vastzetten | beleggen (werkwoord) bevestigen (werkwoord) klem praten (werkwoord) opsluiten (werkwoord) vastmaken (werkwoord) verzekeren (werkwoord) verbinden (werkwoord) vastleggen (werkwoord) vastbinden (werkwoord) |
| vastzitten | in het nauw zitten (Werkwoord) klem zitten (Werkwoord) blijven hangen (werkwoord) gevangen zitten (werkwoord) klemzitten (werkwoord) |
| vastzitten aan | gebonden zijn aan (Werkwoord) |
| vat | bak (zelfst. naamw.) barrel (zelfst. naamw.) bloedvat (zelfst. naamw.) emmer (zelfst. naamw.) fust (zelfst. naamw.) greep (zelfst. naamw.) kuip (zelfst. naamw.) pot (zelfst. naamw.) teil (zelfst. naamw.) ton (zelfst. naamw.) barr (zelfst. naamw.) |
| vatbaar | broos (bijv. naamw.) geschikt (bijv. naamw.) gevoelig (bijv. naamw.) ontvankelijk (bijv. naamw.) openstaand (bijv. naamw.) receptief (bijv. naamw.) teergevoelig (bijv. naamw.) |
| vatbaarheid | aanleg (zelfst. naamw.) gevoeligheid (zelfst. naamw.) zwakte (zelfst. naamw.) predispositie (zelfst. naamw.) |
| vatten | snappen (Werkwoord) bevatten (Werkwoord) aanpakken (werkwoord) besmet worden (werkwoord) gevangennemen (werkwoord) grijpen (werkwoord) vastpakken (werkwoord) begrijpen (zelfst. naamw.) pakken (werkwoord) oprapen (werkwoord) nemen (werkwoord) aanvatten (werkwoord) vastnemen (werkwoord) vastgrijpen (werkwoord) beetpakken (werkwoord) beetnemen (werkwoord) beetgrijpen (werkwoord) oppakken (werkwoord) inrekenen (werkwoord) arresteren (werkwoord) aanhouden (werkwoord) verstrikken (werkwoord) vangen (werkwoord) klauwen (werkwoord) |
| vazal | leenman (overig.) |
| vechten | bakkeleien (werkwoord) kampen (werkwoord) knokken (werkwoord) matten (werkwoord) strijden (zelfst. naamw.) duelleren (werkwoord) |
| vechter | doorbijter (zelfst. naamw.) kampvechter (zelfst. naamw.) ruziemaker (zelfst. naamw.) twistzoeker (zelfst. naamw.) twiststoker (zelfst. naamw.) ruziezoeker (zelfst. naamw.) kemphaan (zelfst. naamw.) haantje (zelfst. naamw.) vechtjas (zelfst. naamw.) trommelstok (zelfst. naamw.) slaghout (zelfst. naamw.) rapier (zelfst. naamw.) racket (zelfst. naamw.) degen (zelfst. naamw.) |
| vechtersbaas | vechtjas (zelfst. naamw.) ruziezoeker (zelfst. naamw.) messentrekker (zelfst. naamw.) knokker (zelfst. naamw.) kemphaan (zelfst. naamw.) ijzervreter (zelfst. naamw.) houwdegen (zelfst. naamw.) |