| Woord | Synoniem |
| vast | voorlopig (bijv. naamw.) intussen (bijv. naamw.) inmiddels (bijv. naamw.) slapend (bijv. naamw.) onbeweeglijk (bijv. naamw.) welzeker (bijv. naamw.) waarachtig (bijv. naamw.) voorzeker (bijv. naamw.) stellig (bijv. naamw.) reëel (bijv. naamw.) heus (bijv. naamw.) gewis (bijv. naamw.) geheid (bijv. naamw.) feitelijk (bijv. naamw.) beslist (bijv. naamw.) |
| vastberaden | gedecideerd (Bijvoeglijk naamwoord) vastbesloten (Bijvoeglijk naamwoord) beslist (bijv. naamw.) resoluut (bijv. naamw.) kordaat (bijv. naamw.) besluitvaardig (bijv. naamw.) rustig (bijv. naamw.) |
| vastberadenheid | beslistheid (zelfst. naamw.) standvastigheid (zelfst. naamw.) zelfvertrouwen (zelfst. naamw.) stelligheid (zelfst. naamw.) pertinentie (zelfst. naamw.) zelfverzekerdheid (zelfst. naamw.) zekerheid (zelfst. naamw.) |
| vastbesloten | vastberaden (bijv. naamw.) |
| vastbeslotenheid | gedecideerdheid (zelfst. naamw.) |
| vastbinden | binden (werkwoord) boeien (werkwoord) ketenen (werkwoord) knevelen (werkwoord) sjorren (werkwoord) strikken (werkwoord) vastleggen (werkwoord) vastmaken (werkwoord) vastmeren (werkwoord) vastsjorren (werkwoord) meren (werkwoord) afmeren (werkwoord) aanmeren (werkwoord) aanleggen (werkwoord) knopen (werkwoord) verzekeren (werkwoord) verbinden (werkwoord) vastzetten (werkwoord) bevestigen (werkwoord) |
| vastdrukken | aandrukken (overig.) |
| vasteland | continent (Zelfst. Naamw.) |
| vasten | abstineren (werkwoord) onthouden (zelfst. naamw.) |
| vastgebonden | geboeid (bijv. naamw.) |
| vastgegroeid | verstokt (overig.) ingeworteld (overig.) geworteld (overig.) |
| vastgehecht | aangehecht (overig.) |
| vastgeklemd | beklemd (bijv. naamw.) |
| vastgeklonken | geklonken (overig.) |
| vastgelegd | gedocumenteerd (bijv. naamw.) |
| vastgenageld | genageld (overig.) |
| vastgespen | aangespen (werkwoord) |
| vastgesteld | definitief (bijv. naamw.) vaststaand (bijv. naamw.) permanent (bijv. naamw.) |
| vastgezet | opgesloten (overig.) geïnterneerd (overig.) gevangen (overig.) |
| vastgoed | onroerenzaken (overig.) onroerengoederen (overig.) |
| vastgrijpen | beetpakken (werkwoord) vastpakken (werkwoord) grijpen (werkwoord) bemachtigen (werkwoord) aangrijpen (werkwoord) vatten (werkwoord) vastnemen (werkwoord) beetnemen (werkwoord) beetgrijpen (werkwoord) aanpakken (werkwoord) |
| vastgroeien | wortschieten (werkwoord) wortelen (werkwoord) |
| vasthaken | vastkoppelen (overig.) aankoppelen (overig.) aanhaken (overig.) |
| vasthechten | bevestigen (werkwoord) vastlijmen (werkwoord) aanhechten (zelfst. naamw.) vastplakken (werkwoord) opplakken (werkwoord) lijmen (werkwoord) hechten (werkwoord) |
| vasthechting | hechting (zelfst. naamw.) fixatie (zelfst. naamw.) |
| vastheid | hechtheid (zelfst. naamw.) zekerheid (zelfst. naamw.) stevigheid (zelfst. naamw.) soliditeit (zelfst. naamw.) vastigheid (zelfst. naamw.) stelligheid (zelfst. naamw.) gewisheid (zelfst. naamw.) |
| vasthouden | aanhouden (werkwoord) beethouden (werkwoord) detineren (werkwoord) respecteren (werkwoord) vastklemmen (werkwoord) houd (zelfst. naamw.) houden (zelfst. naamw.) verbannen (werkwoord) uitbannen (werkwoord) boeien (werkwoord) bezweren (werkwoord) betoveren (werkwoord) bannen (werkwoord) bijhouden (werkwoord) vastknellen (werkwoord) knellen (werkwoord) gevangenhouden (werkwoord) |
| vasthoudend | onwrikbaar (bijv. naamw.) volhardend (bijv. naamw.) standvastig (bijv. naamw.) pal (bijv. naamw.) onwankelbaar (bijv. naamw.) |
| vasthoudendheid | doorzettingsvermogen (zelfst. naamw.) onbuigzaamheid (zelfst. naamw.) volharding (zelfst. naamw.) volhardendheid (zelfst. naamw.) uithouding (zelfst. naamw.) taaiheid (zelfst. naamw.) aanhouden (zelfst. naamw.) |
| vastigheid | houvast (zelfst. naamw.) zekerheid (zelfst. naamw.) vastheid (zelfst. naamw.) stelligheid (zelfst. naamw.) gewisheid (zelfst. naamw.) |
| vastketenen | vastleggen (overig.) vastkluisteren (overig.) |
| vastklampen | beetgrijpen (werkwoord) vastgrijpen (werkwoord) vastpakken (werkwoord) grijpen (werkwoord) beetpakken (werkwoord) aanklampen (werkwoord) vastklemmen (werkwoord) |
| vastklampen aan | zich vastklemmen (Werkwoord) |