| Woord | Synoniem |
| verfoeilijk | afkeurenswaardig (bijv. naamw.) onooglijk (bijv. naamw.) schandalig (bijv. naamw.) verachtelijk (bijv. naamw.) afgrijselijk (bijv. naamw.) lelijk (bijv. naamw.) schandelijk (bijv. naamw.) verfoeienswaardig (bijv. naamw.) |
| verfomfaaid | verkreukeld (overig.) kreukelig (overig.) |
| verfraaien | flatteren (werkwoord) opknappen (werkwoord) opsieren (werkwoord) optooien (werkwoord) retoucheren (werkwoord) versieren (werkwoord) verluchten (werkwoord) tooien (werkwoord) optuigen (werkwoord) opsmukken (werkwoord) opschikken (werkwoord) verhogen (werkwoord) verheerlijken (werkwoord) |
| verfraaiing | versiering (zelfst. naamw.) |
| verfreiniger | peut (zelfst. naamw.) |
| verfrissen | laven (werkwoord) opfrissen (werkwoord) verkwikken (werkwoord) verlevendigen (werkwoord) verkoelen (werkwoord) |
| verfrissend | opfrissend (Bijvoeglijk naamwoord) verkoelend (Bijvoeglijk naamwoord) fris (bijv. naamw.) |
| verfrissing | lafenis (zelfst. naamw.) verkwikking (zelfst. naamw.) laving (zelfst. naamw.) |
| verfroller | kwast (zelfst. naamw.) |
| verfrommelen | verkreukelen (werkwoord) kreukelen (werkwoord) |
| verfspuit | lakspuit (zelfst. naamw.) |
| vergaan | verrot (bijv. naamw.) achteruitgaan (werkwoord) bederven (werkwoord) bezwijken (werkwoord) instorten (werkwoord) teruggaan (werkwoord) verlopen (werkwoord) verstrijken (werkwoord) verteren (werkwoord) vervallen (werkwoord) wegrotten (werkwoord) zinken (werkwoord) verrotten (zelfst. naamw.) tenondergaan (werkwoord) overgaan (werkwoord) overdrijven (werkwoord) omkomen (werkwoord) doorgaan (werkwoord) aflopen (werkwoord) afleggen (werkwoord) rotten (werkwoord) verwording (werkwoord) ontbinding (werkwoord) bederf (werkwoord) slecht (werkwoord) rottig (werkwoord) rot (werkwoord) bedorven (werkwoord) verdrinken (werkwoord) verkommeren (werkwoord) ontbinden (werkwoord) voorbijgaan (werkwoord) |
| vergaand | ingrijpend (Bijvoeglijk naamwoord) verstrekkend (Bijvoeglijk naamwoord) diepgaand (bijv. naamw.) gevorderd (bijv. naamw.) intensief (bijv. naamw.) |
| vergaanheid | verrotheid (zelfst. naamw.) rotheid (zelfst. naamw.) bedorvenheid (zelfst. naamw.) |
| vergaarbak | reservoir (zelfst. naamw.) |
| vergaderen | beraadslagen (werkwoord) meenemen (werkwoord) meebrengen (werkwoord) medenemen (werkwoord) medebrengen (werkwoord) bijeenbrengen (werkwoord) afhalen (werkwoord) |
| vergadering | assemblee (zelfst. naamw.) bespreking (zelfst. naamw.) samenkomst (zelfst. naamw.) zitting (zelfst. naamw.) manifestatie (zelfst. naamw.) bijeenkomst (zelfst. naamw.) verzameling (zelfst. naamw.) vergadering (overig.) conferentie (overig.) |
| vergaderingen | besprekingen (zelfst. naamw.) |
| vergallen | verpesten (Werkwoord) bederven (werkwoord) verknoeien (werkwoord) |
| vergankelijk | eindig (bijv. naamw.) tijdelijk (bijv. naamw.) vluchtig (bijv. naamw.) voorbijgaand (bijv. naamw.) |
| vergankelijkheid | fragiliteit (zelfst. naamw.) vluchtigheid (zelfst. naamw.) |
| vergaren | verzamelen (Werkwoord) bijeenbrengen (werkwoord) bijeenzamelen (werkwoord) bijeenzoeken (werkwoord) inzamelen (werkwoord) oogsten (werkwoord) graanschuur (werkwoord) sparen (werkwoord) oppotten (werkwoord) opeenhopen (werkwoord) |
| vergasten | onthalen (werkwoord) vrijhouden (werkwoord) trakteren (werkwoord) ontvangen (werkwoord) binnenhalen (werkwoord) |
| vergeeflijk | verschoonbaar (bijv. naamw.) |
| vergeefs | zinloos (Bijvoeglijk naamwoord) vruchteloos (Bijvoeglijk naamwoord) hopeloos (bijv. naamw.) tevergeefs (bijv. naamw.) voor niets (bijv. naamw.) zonresultaat (bijv. naamw.) nutteloos (bijv. naamw.) ijdel (bijv. naamw.) |
| vergeetachtig | verstrooid (overig.) |
| vergeetachtigheid | vergetelheid (zelfst. naamw.) |
| vergegeven | doorgegeven (overig.) |
| vergel | wreker (overig.) |
| vergelden | lonen (werkwoord) wreken (werkwoord) beantwoorden (werkwoord) |
| vergelding | genoegdoening (zelfst. naamw.) represaille (zelfst. naamw.) straf (zelfst. naamw.) |
| vergeldingsmaatreg | represaille (overig.) |
| vergeleken | vergelijken (werkwoord) |
| vergelend | tanend (overig.) |
| vergelijk | compromis (zelfst. naamw.) regeling (zelfst. naamw.) vereffening (zelfst. naamw.) schikking (zelfst. naamw.) akkoord (zelfst. naamw.) |