| Woord | Synoniem |
| ventilatiekanaal | luchtgat (overig.) luchtbuis (overig.) |
| ventilator | fan (zelfst. naamw.) luchtververser (zelfst. naamw.) compressor (zelfst. naamw.) blaasvlambrander (zelfst. naamw.) |
| ventileren | luchten (werkwoord) |
| ventje | baasje (zelfst. naamw.) joch (zelfst. naamw.) |
| veomvattend | ertshoudend (overig.) bevattend (overig.) |
| ver | afgelegen (bijv. naamw.) verafgelegen (bijv. naamw.) veraf (bijv. naamw.) verwijderd (bijv. naamw.) |
| veraanschouwelijken | illustreren (werkwoord) voorstellen (werkwoord) demonstreren (werkwoord) |
| veracht | versmaad (overig.) |
| verachtelijk | abject (bijv. naamw.) laag (bijv. naamw.) laatdunkend (bijv. naamw.) |
| verachten | minachten (werkwoord) geringschatten (werkwoord) |
| verachting | misprijzen (zelfst. naamw.) smaad (zelfst. naamw.) minachting (zelfst. naamw.) geringschatting (zelfst. naamw.) |
| verademing | opluchting (Zelfst. Naamw.) bevrijding (zelfst. naamw.) geruststelling (zelfst. naamw.) |
| veraf | verafgelegen (bijv. naamw.) ver (bijv. naamw.) |
| verafgelegen | ver (bijv. naamw.) veraf (bijv. naamw.) |
| verafgoden | aanbidden (werkwoord) adoreren (werkwoord) vereren (werkwoord) |
| verafgoding | adoratie (zelfst. naamw.) |
| verafschuwen | verfoeien (Werkwoord) gruwen van (Werkwoord) afkeer hebben (werkwoord) |
| verafschuwing | verfoeiing (zelfst. naamw.) |
| veralgemenen | veralgemeniseren (werkwoord) globaliseren (werkwoord) generaliseren (werkwoord) |
| veralgemeniseren | generaliseren (werkwoord) veralgemenen (werkwoord) globaliseren (werkwoord) |
| veranda | waranda (Zelfst. Naamw.) loggia (zelfst. naamw.) uitbouw (zelfst. naamw.) |
| veranderen | aanpassen (werkwoord) afwisselen (werkwoord) anders worden (werkwoord) modificeren (werkwoord) omtoveren (werkwoord) uiteenlopen (werkwoord) wijzigen (werkwoord) amenderen (zelfst. naamw.) muteren (zelfst. naamw.) wijziging (zelfst. naamw.) wending (werkwoord) verandering (werkwoord) transformatie (werkwoord) omwisselen (werkwoord) omschakeling (werkwoord) omkeer (werkwoord) hervorming (werkwoord) wisselen (werkwoord) verschillen (werkwoord) variëren (werkwoord) omwerken (werkwoord) herzien (werkwoord) vermaken (werkwoord) verwisselen (werkwoord) transitie (zelfst. naamw.) |
| veranderend | ongestadig (bijv. naamw.) |
| verandering | wijziging (Zelfst. Naamw.) aanpassing (zelfst. naamw.) afwisseling (zelfst. naamw.) gedaantewisseling (zelfst. naamw.) keer (zelfst. naamw.) mutatie (zelfst. naamw.) ombuiging (zelfst. naamw.) ommekeer (zelfst. naamw.) variatie (zelfst. naamw.) vernieuwing (zelfst. naamw.) transformatie (zelfst. naamw.) wijzigen (zelfst. naamw.) wending (zelfst. naamw.) veranderen (zelfst. naamw.) omwisselen (zelfst. naamw.) omschakeling (zelfst. naamw.) omkeer (zelfst. naamw.) hervorming (zelfst. naamw.) variëteit (zelfst. naamw.) keuze (zelfst. naamw.) ommezwaai (zelfst. naamw.) kentering (zelfst. naamw.) nieuwigheid (zelfst. naamw.) |
| veranderingen | wendingen (zelfst. naamw.) kenteringen (zelfst. naamw.) |
| veranderlijk | onstabiel (Bijvoeglijk naamwoord) onbestendig (Bijvoeglijk naamwoord) inconsistent (bijv. naamw.) variabel (bijv. naamw.) overdraagbaar (bijv. naamw.) wisselvallig (bijv. naamw.) |
| veranderlijkheid | variabiliteit (zelfst. naamw.) wisselvalligheid (zelfst. naamw.) onbestendigheid (zelfst. naamw.) |
| verankerd | gegrondvest (bijv. naamw.) gebijteld (overig.) |
| verankeren | vastleggen (werkwoord) vastzetten (werkwoord) |
| verantwoord | aanvaardbaar (bijv. naamw.) gefundeerd (bijv. naamw.) verantwoorden (werkwoord) gezond (werkwoord) weloverwogen (werkwoord) |
| verantwoordelijk | responsabel (Bijvoeglijk naamwoord) aansprakelijk (Bijvoeglijk naamwoord) belangrijk (bijv. naamw.) belast (bijv. naamw.) toerekeningsvatbaar (bijv. naamw.) gehouden (bijv. naamw.) |
| verantwoordelijkheid | aansprakelijkheid (Zelfst. Naamw.) schuld (zelfst. naamw.) |
| verantwoorden | rechtvaardigen (werkwoord) verantwoord (werkwoord) |
| verantwoording | aansprakelijkheid (zelfst. naamw.) rechtvaardiging (zelfst. naamw.) |
| verarmd | kaal (bijv. naamw.) |
| verarmen | achteruitgaan (werkwoord) verloederen (werkwoord) |
| verarming | verpaupering (zelfst. naamw.) |
| verassen | cremeren (werkwoord) verbranden (werkwoord) |
| verassing | lijkverbranding (zelfst. naamw.) |
| verbaal | gesproken (bijv. naamw.) mondeling (bijv. naamw.) akte (zelfst. naamw.) |