| Woord | Synoniem |
| uitkleden | uittrekken (werkwoord) strippen (werkwoord) |
| uitkloppen | uitschudden (werkwoord) uitslaan (werkwoord) uitdeuken (werkwoord) |
| uitknijpen | doodgaan (werkwoord) ertussenuit gaan (werkwoord) uitpersen (werkwoord) uitdrukken (werkwoord) leegknijpen (werkwoord) uitzuigen (werkwoord) plunderen (werkwoord) leeghalen (werkwoord) |
| uitknipsel | knipsel (overig.) |
| uitknobbelen | bedenken (werkwoord) uitdenken (werkwoord) uitkienen (werkwoord) uitdokteren (werkwoord) |
| uitkomen | aflopen (werkwoord) afsteken (werkwoord) bekend worden (werkwoord) bekennen (werkwoord) belanden (werkwoord) blijken (werkwoord) gelegen komen (werkwoord) leiden naar (werkwoord) rondkomen (werkwoord) uitbotten (werkwoord) uitstromen (werkwoord) voegen (werkwoord) schikken (werkwoord) passen (werkwoord) horen (werkwoord) betamen (werkwoord) behoren (werkwoord) deugen (werkwoord) conveniëren (werkwoord) verschijnen (werkwoord) opdraven (werkwoord) opdagen (werkwoord) opgaan (werkwoord) voortvloeien (werkwoord) voortspruiten (werkwoord) voortkomen (werkwoord) volgen (werkwoord) resulteren (werkwoord) uitlopen (werkwoord) ontspruiten (werkwoord) ontspringen (werkwoord) |
| uitkomst | afloop (zelfst. naamw.) antwoord (zelfst. naamw.) gevolg (zelfst. naamw.) hulp (zelfst. naamw.) opbrengst (zelfst. naamw.) oplossing (zelfst. naamw.) resultaat (zelfst. naamw.) voortbrengsel (zelfst. naamw.) rendement (zelfst. naamw.) product (zelfst. naamw.) oogst (zelfst. naamw.) som (zelfst. naamw.) resultante (overig.) |
| uitkrabben | uitwissen (werkwoord) |
| uitkrabbing | curettage (zelfst. naamw.) |
| uitkramen | opdissen (werkwoord) |
| uitkrijgen | verschuiven (werkwoord) verdagen (werkwoord) uittrekken (werkwoord) uitstellen (werkwoord) uitdoen (werkwoord) afzetten (werkwoord) afleggen (werkwoord) afdoen (werkwoord) aanhouden (werkwoord) |
| uitkrijsen | uitgillen (overig.) uitschreeuwen (overig.) uitroepen (overig.) uitbrullen (overig.) |
| uitlaat | knalpot (zelfst. naamw.) uitlaatklep (zelfst. naamw.) uitlaatpijp (zelfst. naamw.) vlampijp (zelfst. naamw.) |
| uitlaatgas | uitlaatgassen (zelfst. naamw.) |
| uitlaatgassen | uitlaatgas (zelfst. naamw.) |
| uitlaatklep | uitlaat (zelfst. naamw.) |
| uitlaatpijp | vlampijp (zelfst. naamw.) uitlaat (zelfst. naamw.) |
| uitlachen | bespotten (werkwoord) uitjouwen (werkwoord) |
| uitladen | lossen (werkwoord) ontladen (werkwoord) afladen (zelfst. naamw.) leegmaken (zelfst. naamw.) |
| uitlading | lossing (zelfst. naamw.) ontlading (zelfst. naamw.) |
| uitlandig | buitenlands (bijv. naamw.) |
| uitlaten | eruit laten (werkwoord) laten zakken (werkwoord) uiten (werkwoord) knalpotten (zelfst. naamw.) weglaten (werkwoord) vieren (werkwoord) tappen (werkwoord) lossen (werkwoord) loslaten (werkwoord) verzuimen (werkwoord) verzaken (werkwoord) nalaten (werkwoord) |
| uitlating | opmerking (Zelfst. Naamw.) uitspraak (Zelfst. Naamw.) ellips (zelfst. naamw.) meningsuiting (zelfst. naamw.) |
| uitleg | argumentatie (zelfst. naamw.) briefing (zelfst. naamw.) handleiding (zelfst. naamw.) opheldering (zelfst. naamw.) verduidelijking (zelfst. naamw.) verklaring (zelfst. naamw.) bescheid (zelfst. naamw.) exegese (zelfst. naamw.) toelichting (zelfst. naamw.) interpretatie (zelfst. naamw.) instructie (zelfst. naamw.) uiteenzetting (zelfst. naamw.) verklarenuitleg (zelfst. naamw.) duiding (zelfst. naamw.) |
| uitleggen | begrijpen (werkwoord) ontvouwen (werkwoord) uitbreiden (werkwoord) uiteenzetten (werkwoord) uitspreiden (werkwoord) verduidelijken (werkwoord) verklaren (werkwoord) construeren (werkwoord) afleiden (werkwoord) toelichten (werkwoord) opklaren (werkwoord) ophelderen (werkwoord) naverklaren (werkwoord) |
| uitleggend | verklarend (overig.) |
| uitlegger | commentator (zelfst. naamw.) verklaarder (zelfst. naamw.) verklaar (zelfst. naamw.) |
| uitleggers | vertolkers (overig.) verklaarders (overig.) |