| Woord | Synoniem |
| uitmunten | overtreffen (werkwoord) uitsteken (werkwoord) schitteren (werkwoord) onderscheiden (werkwoord) |
| uitmuntend | edel (bijv. naamw.) opperbest (bijv. naamw.) volmaakt (bijv. naamw.) voortreffelijk (bijv. naamw.) best (bijv. naamw.) excellent (bijv. naamw.) meesterlijk (bijv. naamw.) ongemeen (bijv. naamw.) prachtig (bijv. naamw.) prima (bijv. naamw.) uitstekend (bijv. naamw.) uitnemend (bijv. naamw.) uitgezocht (bijv. naamw.) uitgelezen (bijv. naamw.) superbe (bijv. naamw.) subliem (bijv. naamw.) puik (bijv. naamw.) briljant (bijv. naamw.) perfect (bijv. naamw.) patent (bijv. naamw.) |
| uitneembaar | scheidbaar (bijv. naamw.) |
| uitnemen | uithalen (werkwoord) onttakelen (werkwoord) ontmantelen (werkwoord) demonteren (werkwoord) |
| uitnemend | uitgelezen (bijv. naamw.) uitstekend (bijv. naamw.) voortreffelijk (bijv. naamw.) uitmuntend (bijv. naamw.) uitgezocht (bijv. naamw.) superbe (bijv. naamw.) subliem (bijv. naamw.) puik (bijv. naamw.) excellent (bijv. naamw.) briljant (bijv. naamw.) schitterend (bijv. naamw.) magnifiek (bijv. naamw.) groots (bijv. naamw.) grandioos (bijv. naamw.) geweldig (bijv. naamw.) fantastisch (bijv. naamw.) |
| uitnemendheid | voortreffelijkheid (zelfst. naamw.) |
| uitnodigen | aanzoeken (werkwoord) engageren (werkwoord) inviteren (werkwoord) verleiden (werkwoord) vragen (werkwoord) verzoeken (werkwoord) aanvragen (werkwoord) |
| uitnodigend | aanlokkelijk (bijv. naamw.) aantrekkelijk (bijv. naamw.) verzoekend (bijv. naamw.) verlokkend (bijv. naamw.) uitlokkend (bijv. naamw.) bekoorlijk (bijv. naamw.) attractief (bijv. naamw.) verleidelijk (bijv. naamw.) |
| uitnodiging | invitatie (zelfst. naamw.) |
| uitoefenen | doen gelden (Werkwoord) bedrijven (werkwoord) beoefenen (werkwoord) betrachten (werkwoord) |
| uitpakken | aflopen (werkwoord) onthalen (werkwoord) tekeergaan (werkwoord) uitlopen (werkwoord) |
| uitpersen | uitknijpen (Werkwoord) afpersen (werkwoord) leeghalen (werkwoord) persen (werkwoord) leegknijpen (werkwoord) uitzuigen (werkwoord) plunderen (werkwoord) |
| uitpikken | selecteren (werkwoord) uitkiezen (werkwoord) ziften (werkwoord) uitzoeken (werkwoord) schiften (werkwoord) kiezen (werkwoord) verkiezen (werkwoord) uitlezen (werkwoord) |
| uitpluizen | onderzoeken (werkwoord) ontwarren (werkwoord) uitzoeken (werkwoord) uitvezelen (werkwoord) uitrafelen (werkwoord) ontrafelen (werkwoord) ontraadselen (werkwoord) |
| uitplunderen | roven (werkwoord) plunderen (werkwoord) leegplunderen (werkwoord) uitschudden (werkwoord) |
| uitplussen | uitpluizen (werkwoord) |
| uitpoetsen | opwrijven (werkwoord) uitvlakken (werkwoord) |
| uitpompen | leegpompen (werkwoord) |
| uitpraten | bijleggen (werkwoord) uitspreken (werkwoord) |
| uitproberen | beproeven (werkwoord) experimenteren (werkwoord) probeer (werkwoord) proberen (werkwoord) uittesten (werkwoord) toetsen (werkwoord) testen (werkwoord) |
| uitpuffen | op adem komen (werkwoord) |
| uitpuilen | bol staan (werkwoord) puilen (werkwoord) |
| uitpuilend | bolstaand (bijv. naamw.) |
| uitpuiling | protrusie (zelfst. naamw.) uitstulping (zelfst. naamw.) bobbel (zelfst. naamw.) |
| uitputten | verzwakken (werkwoord) afmatten (zelfst. naamw.) vermoeien (zelfst. naamw.) slopen (zelfst. naamw.) verslappen (zelfst. naamw.) |
| uitputtend | afmattend (bijv. naamw.) exhaustief (bijv. naamw.) vermoeiend (bijv. naamw.) moemakend (bijv. naamw.) |
| uitputtendheid | volledigheid (zelfst. naamw.) |
| uitputting | afmatting (zelfst. naamw.) moeheid (zelfst. naamw.) vermoeidheid (zelfst. naamw.) |
| uitputtten | uitdiepen (overig.) |
| uitrafelen | uitpluizen (werkwoord) voorbijtrekken (werkwoord) defileren (werkwoord) uitzoeken (werkwoord) uitvezelen (werkwoord) ontwarren (werkwoord) ontrafelen (werkwoord) ontraadselen (werkwoord) |
| uitraken | verlopen (werkwoord) uitlopen (werkwoord) uitgaan (werkwoord) ophouden (werkwoord) eindigen (werkwoord) aflopen (werkwoord) |
| uitrangeren | afdanken (werkwoord) uitschakelen (werkwoord) |
| uitrazen | uitwoeden (werkwoord) |