| Woord | Synoniem |
| u | gij (overig.) het (overig.) de (overig.) jullie (overig.) |
| U | ge (overig.) |
| uberhaupt | sowieso (overig.) |
| ui | grap (zelfst. naamw.) groente (zelfst. naamw.) kwalificatie (zelfst. naamw.) |
| uier | koeieuier (zelfst. naamw.) melkklier (zelfst. naamw.) |
| uil | bosuil (zelfst. naamw.) domoor (zelfst. naamw.) schaapskop (zelfst. naamw.) schaap (zelfst. naamw.) onnozohals (zelfst. naamw.) onnozele (zelfst. naamw.) onnozelaar (zelfst. naamw.) kuiken (zelfst. naamw.) |
| uilenbal | minkukel (zelfst. naamw.) uilskuiken (zelfst. naamw.) sukkel (zelfst. naamw.) sufferd (zelfst. naamw.) stommeling (zelfst. naamw.) minkuk (zelfst. naamw.) |
| uilenspieg | snaak (overig.) pias (overig.) paljas (overig.) olijkerd (overig.) mallerd (overig.) komiek (overig.) guit (overig.) grappenmaker (overig.) |
| uilig | stom (overig.) |
| Uilke | billenkoek (werkwoord) |
| uilskuiken | domoor (zelfst. naamw.) uilenbal (zelfst. naamw.) sukkel (zelfst. naamw.) sufferd (zelfst. naamw.) stommeling (zelfst. naamw.) minkuk (zelfst. naamw.) sufferdje (zelfst. naamw.) dommerik (zelfst. naamw.) domkop (zelfst. naamw.) |
| uiltje | tukje (overig.) dutje (overig.) |
| uit | af (bijv. naamw.) bedacht (bijv. naamw.) buiten (bijv. naamw.) over (bijv. naamw.) voltooid (bijv. naamw.) afwezig (bijv. naamw.) vanaf (bijv. naamw.) van (bijv. naamw.) sinds (bijv. naamw.) sedert (bijv. naamw.) op (bijv. naamw.) door (bijv. naamw.) aan (bijv. naamw.) wegens (bijv. naamw.) voor (bijv. naamw.) vanwege (bijv. naamw.) met (bijv. naamw.) voorbij (bijv. naamw.) klaar (bijv. naamw.) geëindigd (bijv. naamw.) gereed (bijv. naamw.) afgelopen (bijv. naamw.) afgedaan (bijv. naamw.) eruit (bijv. naamw.) weg (bijv. naamw.) vanuit (bijv. naamw.) gepleegd (bijv. naamw.) gedaan (bijv. naamw.) beëindigd (bijv. naamw.) |
| uit de nek lullen | raaskallen (werkwoord) |
| uit de tijd | achterhaald (overig.) ouderwets (overig.) |
| uitademen | ademen (werkwoord) expireren (werkwoord) uitblazen (werkwoord) |
| uitademing | expiratie (zelfst. naamw.) |
| uitbalanceren | afwegen (werkwoord) balanceren (werkwoord) uitlijnen (werkwoord) richten (werkwoord) |
| uitbannen | bannen (werkwoord) bezweren (werkwoord) exorciseren (werkwoord) uitstoten (werkwoord) uitwijzen (werkwoord) uitzetten (werkwoord) verbannen (werkwoord) verdrijven (werkwoord) verjagen (werkwoord) wegjagen (werkwoord) vasthouden (werkwoord) boeien (werkwoord) betoveren (werkwoord) |
| uitbanning | ban (zelfst. naamw.) verbanning (zelfst. naamw.) deportatie (zelfst. naamw.) ballingschap (zelfst. naamw.) geestenbezwering (zelfst. naamw.) bezwering (zelfst. naamw.) schervengerecht (zelfst. naamw.) |
| uitbarsten | exploderen (werkwoord) uitbreken (werkwoord) oplaaien (werkwoord) dóórbreken (werkwoord) uitval (werkwoord) uitbarsting (werkwoord) emotioneuitval (werkwoord) |
| uitbarsting | aanval (zelfst. naamw.) eruptie (zelfst. naamw.) vulkaanuitbarsting (zelfst. naamw.) uitval (zelfst. naamw.) uitbarsten (zelfst. naamw.) emotioneuitval (zelfst. naamw.) |
| uitbaten | benutten (werkwoord) exploiteren (werkwoord) |
| uitbater | beheerder (zelfst. naamw.) |
| uitbazuinen | verkondigen (werkwoord) |
| uitbeelden | schetsen (werkwoord) verpersonificeren (werkwoord) vertolken (werkwoord) verbeelden (werkwoord) |
| uitbeelding | vertolking (zelfst. naamw.) voorstelling (zelfst. naamw.) omschrijving (zelfst. naamw.) descriptie (zelfst. naamw.) verpersonificatie (zelfst. naamw.) |
| uitbeitelen | uitbikken (werkwoord) |
| uitbenen | villen (werkwoord) stropen (werkwoord) afstropen (werkwoord) afhalen (werkwoord) |
| uitbesteden | aanbesteden (werkwoord) uitbesteed (werkwoord) |
| uitbesteed | uitbesteden (werkwoord) |
| uitbetalen | uitkeren (werkwoord) voldoen (werkwoord) storten (werkwoord) dokken (werkwoord) betalen (werkwoord) |
| uitbetaling | uitkering (zelfst. naamw.) |
| uitbijten | uitlogen (werkwoord) uitvreten (werkwoord) |
| uitbikken | uitbeitelen (werkwoord) |