Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `T`

Pagina 9 van 42 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
teleurgesteld
gedesillusioneerd (bijv. naamw.)
onbevredigd (bijv. naamw.)
ontgoocheld (bijv. naamw.)
sip (bijv. naamw.)
sneu (bijv. naamw.)
zuinig (bijv. naamw.)
betrokken (bijv. naamw.)
teleurstellen
tegenvallen (Werkwoord)
desillusioneren (werkwoord)
ontgoochelen (werkwoord)
beschamen (werkwoord)
frustreren (werkwoord)
duperen (werkwoord)
benadelen (werkwoord)
afvallen (werkwoord)
teleurstellend
onbevredigend (bijv. naamw.)
sneu (bijv. naamw.)
bedroevend (bijv. naamw.)
spijtig (bijv. naamw.)
onvoldoende (bijv. naamw.)
ontoereikend (bijv. naamw.)
jammerlijk (bijv. naamw.)
jammer (bijv. naamw.)
betreurenswaardig (bijv. naamw.)
bedrieglijk (bijv. naamw.)
teleurstelling
tegenvaller (Zelfst. Naamw.)
afknapper (zelfst. naamw.)
ontgoocheling (zelfst. naamw.)
terugslag (zelfst. naamw.)
sof (zelfst. naamw.)
slag (zelfst. naamw.)
misslag (zelfst. naamw.)
misrekening (zelfst. naamw.)
flop (zelfst. naamw.)
fiasco (zelfst. naamw.)
desillusie (zelfst. naamw.)
televisie
buis (Zelfst. Naamw.)
tv (Zelfst. Naamw.)
televisietoestel (Zelfst. Naamw.)
omroep (zelfst. naamw.)
televisieapparaat (zelfst. naamw.)
beeldbuis (zelfst. naamw.)
televisieapparaat
televisietoestel (overig.)
televisie (overig.)
buis (overig.)
televisiejournaal
nieuws (zelfst. naamw.)
televisiekanaal
net (zelfst. naamw.)
televisiekijker
kijker (zelfst. naamw.)
televisiescherm
beeldscherm (overig.)
televisietoestel
buis (zelfst. naamw.)
televisie (zelfst. naamw.)
televisieapparaat (zelfst. naamw.)
telex
telextoestel (zelfst. naamw.)
telextoestel
telex (zelfst. naamw.)
telg
afstammeling (zelfst. naamw.)
nakomeling (zelfst. naamw.)
telgen
nakomelingen (zelfst. naamw.)
afstammelingen (zelfst. naamw.)
nageslacht (zelfst. naamw.)
kroost (zelfst. naamw.)
kinderen (zelfst. naamw.)
gebroed (zelfst. naamw.)
broed (zelfst. naamw.)
telkens
steeds opnieuw (Bijwoord)
steeds weer (Bijwoord)
herhaaldelijk (bijv. naamw.)
voortdurend (bijv. naamw.)
alsmaar (bijv. naamw.)
altijd (bijv. naamw.)
steeds (bijv. naamw.)
veelvuldig (bijv. naamw.)
meermaals (bijv. naamw.)
onophoudelijk (bijv. naamw.)
ononderbroken (bijv. naamw.)
hetijd (bijv. naamw.)
gedurig (bijv. naamw.)
continue (bijv. naamw.)
almaar (bijv. naamw.)
aldoor (bijv. naamw.)
tellen
bedragen (werkwoord)
gelden als (werkwoord)
laten gelden (werkwoord)
tel (zelfst. naamw.)
uitrekenen (werkwoord)
rekenen (werkwoord)
calculeren (werkwoord)
berekenen (werkwoord)
opsommen (werkwoord)
t (werkwoord)
teller
breuken (zelfst. naamw.)
teloorgang
debacle (zelfst. naamw.)
neergang (zelfst. naamw.)
ondergang (zelfst. naamw.)
val (zelfst. naamw.)
tenondergang (zelfst. naamw.)
telraam
abacus (overig.)
temeie
hoer (overig.)
temeier
hoer (zelfst. naamw.)
temen
slijmen (werkwoord)
zeuren (werkwoord)
temerig
lijzig (overig.)
temmen
africhten (werkwoord)
intomen (werkwoord)
tam maken (werkwoord)
temp
heiligdom (overig.)
gewijplek (overig.)
tempel
bedehuis (zelfst. naamw.)
heiligdom (zelfst. naamw.)
synagoog (zelfst. naamw.)
synagoge (zelfst. naamw.)
moskee (zelfst. naamw.)
kerkgebouw (zelfst. naamw.)
kerk (zelfst. naamw.)
godshuis (zelfst. naamw.)
tempelier
tempelridder (zelfst. naamw.)
tempelridder
tempelier (zelfst. naamw.)
temperament
aard (zelfst. naamw.)
inborst (zelfst. naamw.)
spirit (zelfst. naamw.)
gemoedsgesteldheid (zelfst. naamw.)
gemoedsaard (zelfst. naamw.)
vurigheid (zelfst. naamw.)
temperamentvol
dynamisch (bijv. naamw.)
hartstochtelijk (bijv. naamw.)
vurig (bijv. naamw.)
warmbloedig (bijv. naamw.)
stormachtig (bijv. naamw.)
heetbloedig (bijv. naamw.)
gepassioneerd (bijv. naamw.)
temperatuur
koorts (zelfst. naamw.)
temperatuurmeter
thermometer (overig.)
temperatuurverschil
temperatuurverval (overig.)
temperatuurverval
temperatuurverschil (overig.)
temperen
matigen (Werkwoord)
afremmen (werkwoord)
dempen (werkwoord)
stalen (werkwoord)
harden (werkwoord)
tempering
matiging (zelfst. naamw.)
mindering (zelfst. naamw.)
moderatie (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Volgende


Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald