| Woord | Synoniem |
| teleurgesteld | gedesillusioneerd (bijv. naamw.) onbevredigd (bijv. naamw.) ontgoocheld (bijv. naamw.) sip (bijv. naamw.) sneu (bijv. naamw.) zuinig (bijv. naamw.) betrokken (bijv. naamw.) |
| teleurstellen | tegenvallen (Werkwoord) desillusioneren (werkwoord) ontgoochelen (werkwoord) beschamen (werkwoord) frustreren (werkwoord) duperen (werkwoord) benadelen (werkwoord) afvallen (werkwoord) |
| teleurstellend | onbevredigend (bijv. naamw.) sneu (bijv. naamw.) bedroevend (bijv. naamw.) spijtig (bijv. naamw.) onvoldoende (bijv. naamw.) ontoereikend (bijv. naamw.) jammerlijk (bijv. naamw.) jammer (bijv. naamw.) betreurenswaardig (bijv. naamw.) bedrieglijk (bijv. naamw.) |
| teleurstelling | tegenvaller (Zelfst. Naamw.) afknapper (zelfst. naamw.) ontgoocheling (zelfst. naamw.) terugslag (zelfst. naamw.) sof (zelfst. naamw.) slag (zelfst. naamw.) misslag (zelfst. naamw.) misrekening (zelfst. naamw.) flop (zelfst. naamw.) fiasco (zelfst. naamw.) desillusie (zelfst. naamw.) |
| televisie | buis (Zelfst. Naamw.) tv (Zelfst. Naamw.) televisietoestel (Zelfst. Naamw.) omroep (zelfst. naamw.) televisieapparaat (zelfst. naamw.) beeldbuis (zelfst. naamw.) |
| televisieapparaat | televisietoestel (overig.) televisie (overig.) buis (overig.) |
| televisiejournaal | nieuws (zelfst. naamw.) |
| televisiekanaal | net (zelfst. naamw.) |
| televisiekijker | kijker (zelfst. naamw.) |
| televisiescherm | beeldscherm (overig.) |
| televisietoestel | buis (zelfst. naamw.) televisie (zelfst. naamw.) televisieapparaat (zelfst. naamw.) |
| telex | telextoestel (zelfst. naamw.) |
| telextoestel | telex (zelfst. naamw.) |
| telg | afstammeling (zelfst. naamw.) nakomeling (zelfst. naamw.) |
| telgen | nakomelingen (zelfst. naamw.) afstammelingen (zelfst. naamw.) nageslacht (zelfst. naamw.) kroost (zelfst. naamw.) kinderen (zelfst. naamw.) gebroed (zelfst. naamw.) broed (zelfst. naamw.) |
| telkens | steeds opnieuw (Bijwoord) steeds weer (Bijwoord) herhaaldelijk (bijv. naamw.) voortdurend (bijv. naamw.) alsmaar (bijv. naamw.) altijd (bijv. naamw.) steeds (bijv. naamw.) veelvuldig (bijv. naamw.) meermaals (bijv. naamw.) onophoudelijk (bijv. naamw.) ononderbroken (bijv. naamw.) hetijd (bijv. naamw.) gedurig (bijv. naamw.) continue (bijv. naamw.) almaar (bijv. naamw.) aldoor (bijv. naamw.) |
| tellen | bedragen (werkwoord) gelden als (werkwoord) laten gelden (werkwoord) tel (zelfst. naamw.) uitrekenen (werkwoord) rekenen (werkwoord) calculeren (werkwoord) berekenen (werkwoord) opsommen (werkwoord) t (werkwoord) |
| teller | breuken (zelfst. naamw.) |
| teloorgang | debacle (zelfst. naamw.) neergang (zelfst. naamw.) ondergang (zelfst. naamw.) val (zelfst. naamw.) tenondergang (zelfst. naamw.) |
| telraam | abacus (overig.) |
| temeie | hoer (overig.) |
| temeier | hoer (zelfst. naamw.) |
| temen | slijmen (werkwoord) zeuren (werkwoord) |
| temerig | lijzig (overig.) |
| temmen | africhten (werkwoord) intomen (werkwoord) tam maken (werkwoord) |
| temp | heiligdom (overig.) gewijplek (overig.) |
| tempel | bedehuis (zelfst. naamw.) heiligdom (zelfst. naamw.) synagoog (zelfst. naamw.) synagoge (zelfst. naamw.) moskee (zelfst. naamw.) kerkgebouw (zelfst. naamw.) kerk (zelfst. naamw.) godshuis (zelfst. naamw.) |
| tempelier | tempelridder (zelfst. naamw.) |
| tempelridder | tempelier (zelfst. naamw.) |
| temperament | aard (zelfst. naamw.) inborst (zelfst. naamw.) spirit (zelfst. naamw.) gemoedsgesteldheid (zelfst. naamw.) gemoedsaard (zelfst. naamw.) vurigheid (zelfst. naamw.) |
| temperamentvol | dynamisch (bijv. naamw.) hartstochtelijk (bijv. naamw.) vurig (bijv. naamw.) warmbloedig (bijv. naamw.) stormachtig (bijv. naamw.) heetbloedig (bijv. naamw.) gepassioneerd (bijv. naamw.) |
| temperatuur | koorts (zelfst. naamw.) |
| temperatuurmeter | thermometer (overig.) |
| temperatuurverschil | temperatuurverval (overig.) |
| temperatuurverval | temperatuurverschil (overig.) |
| temperen | matigen (Werkwoord) afremmen (werkwoord) dempen (werkwoord) stalen (werkwoord) harden (werkwoord) |
| tempering | matiging (zelfst. naamw.) mindering (zelfst. naamw.) moderatie (zelfst. naamw.) |