| Woord | Synoniem |
| tegendeel | contrarie (zelfst. naamw.) |
| tegendienst | wederdienst (overig.) tegenprestatie (overig.) contraprestatie (overig.) |
| tegendraads | bokkig (bijv. naamw.) onhandelbaar (bijv. naamw.) weerbarstig (bijv. naamw.) weerspannig (bijv. naamw.) onwillig (bijv. naamw.) koppig (bijv. naamw.) recalcitrant (overig.) |
| tegendruk | tegenwicht (zelfst. naamw.) weerstand (zelfst. naamw.) tegengewicht (zelfst. naamw.) |
| tegeneis | tegenbeschuldiging (overig.) recriminatie (overig.) |
| tegengaan | bestrijden (Werkwoord) tegenwerken (werkwoord) afdammen (zelfst. naamw.) indammen (werkwoord) weerstreven (werkwoord) tegenstreven (werkwoord) |
| tegengas | tegenspel (zelfst. naamw.) |
| tegengegaan | bestreden (bijv. naamw.) verzet (bijv. naamw.) |
| tegengesteld | omgekeerd (Bijvoeglijk naamwoord) tegenovergesteld (Bijvoeglijk naamwoord) andersom (bijv. naamw.) tegenstrijdig (bijv. naamw.) tegendeel (bijv. naamw.) contrarie (bijv. naamw.) tegen (bijv. naamw.) strijdig (bijv. naamw.) onverenigbaar (bijv. naamw.) hiertegen (bijv. naamw.) |
| tegengewicht | weerstand (overig.) tegenwicht (overig.) tegendruk (overig.) |
| tegengif | antiserum (Zelfst. Naamw.) antidotum (Zelfst. Naamw.) |
| tegenhanger | pendant (Zelfst. Naamw.) antithese (zelfst. naamw.) synoniem (zelfst. naamw.) antithe (zelfst. naamw.) |
| tegenhouden | stoppen (Werkwoord) verhinderen (Werkwoord) belemmeren (werkwoord) staande houden (werkwoord) stopzetten (werkwoord) remmen (werkwoord) ophouden (werkwoord) |
| tegenkomen | treffen (Werkwoord) aantreffen (werkwoord) meemaken (werkwoord) ontmoeten (werkwoord) vinden (werkwoord) |
| tegennatuurlijk | pervers (bijv. naamw.) onnatuurlijk (bijv. naamw.) |
| tegenofferte | tegenbod (overig.) |
| tegenorder | tegenbevel (overig.) |
| tegenover | jegens (Voorzetsel) tegen (overig.) versus (overig.) tegenaan (overig.) met (overig.) |
| tegenovergelegen | tegenoverliggend (overig.) |
| tegenovergestelbeweging | tegenbeweging (zelfst. naamw.) |
| tegenovergesteld | omgekeerd (Bijvoeglijk naamwoord) tegengesteld (Bijvoeglijk naamwoord) andersom (bijv. naamw.) tegendeel (bijv. naamw.) contrarie (bijv. naamw.) |
| tegenovergestelde | omgekeerde (zelfst. naamw.) tegendeel (zelfst. naamw.) antoniem (zelfst. naamw.) antomienen (bijv. naamw.) |
| tegenoverliggend | hiertegenover (overig.) tegenovergelegen (overig.) |
| tegenpartij | andere kant (zelfst. naamw.) oppositie (zelfst. naamw.) |
| tegenpool | antipool (zelfst. naamw.) pool (zelfst. naamw.) tegendeel (zelfst. naamw.) uiterste (zelfst. naamw.) |
| tegenprestatie | wederdienst (zelfst. naamw.) tegendienst (zelfst. naamw.) contraprestatie (zelfst. naamw.) |
| tegenpruttelen | tegensputteren (werkwoord) sputteren (werkwoord) protesteren (werkwoord) |
| tegenslag | pech (Zelfst. Naamw.) ongeluk (zelfst. naamw.) onheil (zelfst. naamw.) tegenspoed (zelfst. naamw.) terugslag (zelfst. naamw.) rampspoed (zelfst. naamw.) ramp (zelfst. naamw.) onspoed (zelfst. naamw.) moeilijkheden (zelfst. naamw.) malheur (zelfst. naamw.) ellende (zelfst. naamw.) terugslagen (zelfst. naamw.) |
| tegenspartelen | protesteren (werkwoord) tegenstribbelen (werkwoord) verzetten (werkwoord) |
| tegenspel | tegengas (zelfst. naamw.) |
| tegenspoed | ellende (zelfst. naamw.) kwaad (zelfst. naamw.) moeilijkheden (zelfst. naamw.) ongeluk (zelfst. naamw.) onheil (zelfst. naamw.) pech (zelfst. naamw.) ramp (zelfst. naamw.) rampspoed (zelfst. naamw.) tegenslag (zelfst. naamw.) beproeving (zelfst. naamw.) leed (zelfst. naamw.) droefenis (zelfst. naamw.) terugslag (zelfst. naamw.) onspoed (zelfst. naamw.) malheur (zelfst. naamw.) terugslagen (zelfst. naamw.) |
| tegenspraak | protest (zelfst. naamw.) verzet (zelfst. naamw.) tegenwerping (zelfst. naamw.) opwerping (zelfst. naamw.) |
| tegenspraken | protesten (overig.) |
| tegenspreken | ontkennen (werkwoord) protesteren (werkwoord) tegenwerpen (werkwoord) weerspreken (werkwoord) opponeren (werkwoord) |
| tegensputteren | murmureren (werkwoord) protesteren (werkwoord) sputteren (werkwoord) tegenspartelen (werkwoord) tegenpruttelen (werkwoord) |
| tegenstaan | stuiten (werkwoord) vervelen (werkwoord) vermoeien (werkwoord) ergeren (werkwoord) |
| tegenstan | tegenstrever (overig.) |
| tegenstand | oppositie (Zelfst. Naamw.) weerstand (Zelfst. Naamw.) verzet (Zelfst. Naamw.) bezwaar (zelfst. naamw.) rebellie (zelfst. naamw.) opstand (zelfst. naamw.) |