| Woord | Synoniem |
| teder | zachtmoedig (bijv. naamw.) |
| tederheid | gevoeligheid (zelfst. naamw.) hartelijkheid (zelfst. naamw.) liefkozing (zelfst. naamw.) zachtheid (zelfst. naamw.) innigheid (zelfst. naamw.) |
| teef | haaibaai (zelfst. naamw.) wijfjeshond (zelfst. naamw.) viswijf (zelfst. naamw.) loeder (zelfst. naamw.) helleveeg (zelfst. naamw.) heks (zelfst. naamw.) feeks (zelfst. naamw.) |
| teelaarde | compost (zelfst. naamw.) humus (zelfst. naamw.) teelgrond (zelfst. naamw.) pootaarde (zelfst. naamw.) |
| teelbal | testikel (zelfst. naamw.) zaadbal (zelfst. naamw.) testik (zelfst. naamw.) |
| teelgewas | gewas (zelfst. naamw.) |
| teelgrond | teelaarde (zelfst. naamw.) |
| teelt | aanplant (zelfst. naamw.) bouw (zelfst. naamw.) cultuur (zelfst. naamw.) fok (zelfst. naamw.) fokkerij (zelfst. naamw.) kweken (zelfst. naamw.) veefokkerij (zelfst. naamw.) verbouw (zelfst. naamw.) voortbrenging (zelfst. naamw.) voortplanting (zelfst. naamw.) reproductie (zelfst. naamw.) aankweken (zelfst. naamw.) aankweek (zelfst. naamw.) aanfok (zelfst. naamw.) telen (zelfst. naamw.) |
| teeltkeus | selectie (zelfst. naamw.) |
| teems | melkzeef (zelfst. naamw.) |
| teen | twijg (Zelfst. Naamw.) neus (zelfst. naamw.) tak (zelfst. naamw.) tenen (zelfst. naamw.) |
| teenager | tiener (zelfst. naamw.) |
| teer | fragiel (Bijvoeglijk naamwoord) broos (Bijvoeglijk naamwoord) kwetsbaar (Bijvoeglijk naamwoord) breekbaar (bijv. naamw.) delicaat (bijv. naamw.) fijn (bijv. naamw.) fijngevoelig (bijv. naamw.) iel (bijv. naamw.) teder (bijv. naamw.) tenger (bijv. naamw.) zwak (bijv. naamw.) pek (zelfst. naamw.) fijntjes (zelfst. naamw.) gevoelig (zelfst. naamw.) frèle (bijv. naamw.) |
| teerachtig | taai (bijv. naamw.) |
| teerbesnaard | teergevoelig (overig.) fijnzinnig (overig.) fijngevoelig (overig.) |
| teergevoelig | emotioneel (bijv. naamw.) teerbesnaard (bijv. naamw.) fijnzinnig (bijv. naamw.) fijngevoelig (bijv. naamw.) vatbaar (bijv. naamw.) gevoelig (bijv. naamw.) |
| teergevoeligheid | zwak (zelfst. naamw.) gevoeligheid (zelfst. naamw.) fijngevoeligheid (zelfst. naamw.) |
| teerhartig | sentimenteel (bijv. naamw.) week (bijv. naamw.) gevoelig (bijv. naamw.) weekhartig (bijv. naamw.) |
| teerheid | zwakheid (zelfst. naamw.) broosheid (zelfst. naamw.) |
| teerling | dobbelsteen (zelfst. naamw.) dobbelst (zelfst. naamw.) |
| teevee | buis (zelfst. naamw.) |
| teg | tegeltje (overig.) |
| tegel | steen (zelfst. naamw.) tegeltje (zelfst. naamw.) estrik (zelfst. naamw.) |
| tegelijk | tegelijkertijd (Bijwoord) simultaan (bijv. naamw.) tezamen (bijv. naamw.) tevens (bijv. naamw.) samen (bijv. naamw.) ineen (bijv. naamw.) gelijktijdig (bijv. naamw.) gelijk (bijv. naamw.) bijeen (bijv. naamw.) aaneen (bijv. naamw.) |
| tegelijkertijd | tegelijk (Bijwoord) gelijktijdig (bijv. naamw.) gelijk (bijv. naamw.) gezamenlijk (bijv. naamw.) tezamen (bijv. naamw.) tevens (bijv. naamw.) samen (bijv. naamw.) ineen (bijv. naamw.) bijeen (bijv. naamw.) aaneen (bijv. naamw.) |
| tegeltje | tegel (zelfst. naamw.) teg (zelfst. naamw.) |
| tegemoet zien | uitkijken naar (bijv. naamw.) |
| tegemoetgekomen | ontmoet (overig.) |
| tegemoetkomen | bijdragen (werkwoord) naderen (werkwoord) toenaderen (werkwoord) |
| tegemoetkomend | coulant (bijv. naamw.) toeschietelijk (bijv. naamw.) welwillend (bijv. naamw.) bereidwillig (bijv. naamw.) |
| tegemoetkoming | bedrag (zelfst. naamw.) compensatie (zelfst. naamw.) faciliteit (zelfst. naamw.) subsidie (zelfst. naamw.) toelage (zelfst. naamw.) |
| tegemoetkomingen | toelages (overig.) |
| tegemoetzien | verwachten (werkwoord) vooruitzien (werkwoord) |
| tegen | anti (bijv. naamw.) contra (bijv. naamw.) tegenstrijdig (bijv. naamw.) jegens (bijv. naamw.) omstreeks (bijv. naamw.) versus (bijv. naamw.) tegenover (bijv. naamw.) tegenaan (bijv. naamw.) met (bijv. naamw.) tegengesteld (bijv. naamw.) strijdig (bijv. naamw.) onverenigbaar (bijv. naamw.) hiertegen (bijv. naamw.) |
| tegen in gaan | optornen tegen (overig.) |
| tegenaan | versus (overig.) tegenover (overig.) tegen (overig.) met (overig.) jegens (overig.) |
| tegenaanval | uitval (zelfst. naamw.) |
| tegenaanwijzing | contra-indicatie (zelfst. naamw.) |
| tegenargument | verweer (zelfst. naamw.) |
| tegenbeschuldiging | tegeneis (overig.) recriminatie (overig.) |
| tegenbevel | tegenorder (overig.) |