| Woord | Synoniem |
| toegespitst | spitsig (bijv. naamw.) spits (bijv. naamw.) puntig (bijv. naamw.) |
| toegestaan | geldig (bijv. naamw.) geoorloofd (bijv. naamw.) gepermitteerd (bijv. naamw.) toelaatbaar (bijv. naamw.) veroorloofd (bijv. naamw.) toegelaten (bijv. naamw.) |
| toegevelijk | meegaand (bijv. naamw.) |
| toegeven | bekennen (werkwoord) zich overgeven (werkwoord) toestemmen (werkwoord) goedvinden (werkwoord) erkennen (werkwoord) |
| toegeven aan | bezwijken voor (Werkwoord) |
| toegevend | lankmoedig (bijv. naamw.) meegaand (bijv. naamw.) toegeeflijk (bijv. naamw.) soepel (bijv. naamw.) inschikkelijk (bijv. naamw.) gewillig (bijv. naamw.) gedwee (bijv. naamw.) |
| toegevendheid | clementie (zelfst. naamw.) |
| toegeving | erkenning (zelfst. naamw.) |
| toegevoegd | bijkomend (bijv. naamw.) extra (bijv. naamw.) pregnant (bijv. naamw.) additioneel (bijv. naamw.) |
| toegewijd | trouw (bijv. naamw.) trouwhartig (bijv. naamw.) gewetensvol (bijv. naamw.) |
| toegewijdheid | zorgzaamheid (zelfst. naamw.) trouw (zelfst. naamw.) toewijding (zelfst. naamw.) overgave (zelfst. naamw.) inzet (zelfst. naamw.) ijver (zelfst. naamw.) genegenheid (zelfst. naamw.) devotie (zelfst. naamw.) |
| toegezegd | beloofd (bijv. naamw.) |
| toegift | cadeau (zelfst. naamw.) premie (zelfst. naamw.) |
| toegrijpen | toetasten (werkwoord) ingrijpen (werkwoord) grijpen (werkwoord) aanpakken (werkwoord) |
| toehappen | toesnauwen (werkwoord) toebijten (werkwoord) happen (werkwoord) dichtbijten (werkwoord) |
| toehoorder | luisteraar (zelfst. naamw.) waarnemer (zelfst. naamw.) |
| toehoorders | gehoor (zelfst. naamw.) publiek (zelfst. naamw.) zaal (zelfst. naamw.) |
| toehoren | aanhoren (werkwoord) luisteren (werkwoord) toeluisteren (werkwoord) beluisteren (werkwoord) |
| toejuichen | aanvuren (werkwoord) bejubelen (werkwoord) klappen (werkwoord) stimuleren (werkwoord) aanmoedigen (werkwoord) bezielen (werkwoord) |
| toejuiching | applaus (zelfst. naamw.) ovatie (zelfst. naamw.) |
| toekennen | geven (Werkwoord) verlenen (Werkwoord) hechten (werkwoord) toebedelen (werkwoord) vergunnen (werkwoord) toestaan (werkwoord) toekomen (werkwoord) toewijzen (werkwoord) gunnen (werkwoord) |
| toekenning | toewijzing (zelfst. naamw.) verlening (zelfst. naamw.) |
| toekijken | aanzien (werkwoord) |
| toekijker | toeschouwer (zelfst. naamw.) |
| toekomen | toevallen (werkwoord) toestaan (werkwoord) toekennen (werkwoord) |
| toekomend | toekomstige (overig.) toekomstig (overig.) aanstaand (overig.) aankomend (overig.) |
| toekomentijd | verschiet (overig.) toekomst (overig.) |
| toekomst | de komende tijd (Zelfst. Naamw.) perspectief (zelfst. naamw.) voorland (zelfst. naamw.) vooruitzicht (zelfst. naamw.) verschiet (zelfst. naamw.) toekomentijd (zelfst. naamw.) toekomsten (zelfst. naamw.) kans (zelfst. naamw.) |
| toekomstdroom | luchtkasteel (zelfst. naamw.) |
| toekomsten | voorland (overig.) toekomst (overig.) |
| toekomstig | aankomend (bijv. naamw.) aanstaand (bijv. naamw.) aanstaande (bijv. naamw.) verdere (bijv. naamw.) toekomstige (bijv. naamw.) toekomend (bijv. naamw.) |
| toekomstige | aanstaand (bijv. naamw.) toekomstig (bijv. naamw.) toekomend (bijv. naamw.) aankomend (bijv. naamw.) |
| toelaatbaar | aanvaardbaar (bijv. naamw.) duldbaar (bijv. naamw.) verdraaglijk (bijv. naamw.) tolereerbaar (bijv. naamw.) gedoogbaar (bijv. naamw.) |
| toelage | toeslag (Zelfst. Naamw.) uitkering (Zelfst. Naamw.) beurs (zelfst. naamw.) subsidie (zelfst. naamw.) tegemoetkoming (zelfst. naamw.) |
| toelages | tegemoetkomingen (overig.) |
| toelaten | binnenlaten (Werkwoord) goedkeuren (werkwoord) permitteren (werkwoord) toestaan (werkwoord) velen (werkwoord) uitstaan (werkwoord) tolereren (werkwoord) pikken (werkwoord) ondergaan (werkwoord) lijden (werkwoord) dulden (werkwoord) doorstaan (werkwoord) aanzien (werkwoord) laten (werkwoord) vergunnen (werkwoord) toestemmen (werkwoord) inwilligen (werkwoord) gunnen (werkwoord) goedvinden (werkwoord) duren (werkwoord) |
| toeleggen | bijleggen (werkwoord) |
| toeleveren | aanleveren (werkwoord) overhandigen (werkwoord) leveren (werkwoord) brengen (werkwoord) bezorgen (werkwoord) afleveren (werkwoord) |