| Woord | Synoniem |
| tafelkleed | tafellaken (zelfst. naamw.) tafelkleedje (zelfst. naamw.) laken (zelfst. naamw.) |
| tafelkleedje | tafellaken (overig.) tafelkleed (overig.) laken (overig.) |
| tafellaken | laken (zelfst. naamw.) tafelkleed (zelfst. naamw.) dekservet (zelfst. naamw.) tafelkleedje (zelfst. naamw.) |
| tafellakens | tafelkleden (overig.) |
| tafelmatje | placemat (overig.) onderzetter (overig.) onderlegger (overig.) matje (overig.) mat (overig.) |
| tafelmatjes | placemats (overig.) onderzetters (overig.) onderleggers (overig.) |
| tafelpoot | poot (zelfst. naamw.) |
| tafelschuimer | klaploper (zelfst. naamw.) parasiet (zelfst. naamw.) uitvreter (zelfst. naamw.) |
| tafeltennis | pingpong (overig.) |
| tafelzuur | zuur (zelfst. naamw.) |
| tafereel | scène (Zelfst. Naamw.) schouwspel (Zelfst. Naamw.) afbeelden (zelfst. naamw.) portret (zelfst. naamw.) prent (zelfst. naamw.) beeld (zelfst. naamw.) afbeelding (zelfst. naamw.) toneel (zelfst. naamw.) tableau (zelfst. naamw.) |
| tafzijde | taf (overig.) |
| taille | middel (Zelfst. Naamw.) leest (zelfst. naamw.) |
| taillemaat | taillewijdte (overig.) |
| tailleu | kleermaakster (overig.) |
| tailleur | kleermaker (zelfst. naamw.) |
| taillewijdte | taillemaat (overig.) |
| tak | afdeling (zelfst. naamw.) afsplitsing (zelfst. naamw.) boomtak (zelfst. naamw.) branche (zelfst. naamw.) deelsoort (zelfst. naamw.) linie (zelfst. naamw.) loot (zelfst. naamw.) onderdeel (zelfst. naamw.) sectie (zelfst. naamw.) detachement (zelfst. naamw.) departement (zelfst. naamw.) ent (zelfst. naamw.) verwantschap (zelfst. naamw.) kindschap (zelfst. naamw.) afstamming (zelfst. naamw.) |
| takel | blok (zelfst. naamw.) hijsblok (zelfst. naamw.) katrol (zelfst. naamw.) takelblok (zelfst. naamw.) hijstoestel (zelfst. naamw.) bras (overig.) |
| takelauto | takelwagen (overig.) kraanwagen (overig.) |
| takelblok | takel (overig.) katrol (overig.) hijstoestel (overig.) hijsblok (overig.) |
| takelen | optakelen (Werkwoord) ophalen (werkwoord) |
| takelwagen | kraanwagen (zelfst. naamw.) takelauto (zelfst. naamw.) kraanauto (zelfst. naamw.) |
| taken | werkzaamheden (zelfst. naamw.) bepalingen (overig.) |
| takje | twijg (zelfst. naamw.) loot (zelfst. naamw.) |
| takken | boomtakken (zelfst. naamw.) |
| takkenbende | rommel, bende (overig.) |
| takkewijf | trut (zelfst. naamw.) |
| talen | haken (werkwoord) |
| talent | aanleg (zelfst. naamw.) begaafdheid (zelfst. naamw.) bekwaamheid (zelfst. naamw.) capaciteit (zelfst. naamw.) gave (zelfst. naamw.) knobbel (zelfst. naamw.) kundigheid (zelfst. naamw.) vernuft (zelfst. naamw.) scherpzinnigheid (zelfst. naamw.) knobb (zelfst. naamw.) volbrenging (zelfst. naamw.) vaardigheid (zelfst. naamw.) prestatie (zelfst. naamw.) |
| talentrijk | talentvol (overig.) getalenteerd (overig.) begenadigd (overig.) begaafd (overig.) |
| talentvol | begaafd (bijv. naamw.) getalenteerd (bijv. naamw.) rijk bedeeld (bijv. naamw.) talentrijk (bijv. naamw.) begenadigd (bijv. naamw.) |
| talg | huidsmeer (zelfst. naamw.) smeer (zelfst. naamw.) |
| talgvloed | seborroe (zelfst. naamw.) |
| talisman | amulet (zelfst. naamw.) mascotte (zelfst. naamw.) gelukspop (zelfst. naamw.) |
| talloos | ontelbaar (Bijvoeglijk naamwoord) bij de vleet (bijv. naamw.) legio (bijv. naamw.) |
| talmen | dralen (Werkwoord) treuzelen (Werkwoord) aarzelen (werkwoord) zeiken (werkwoord) zeuren (werkwoord) weifelen (werkwoord) dubben (werkwoord) zaniken (werkwoord) teuten (werkwoord) hannesen (werkwoord) druilen (werkwoord) drentelen (werkwoord) |
| talmend | langzaam (overig.) weifelend (overig.) treuzelend (overig.) treuzelachtig (overig.) traag (overig.) slepend (overig.) leuterig (overig.) dralend (overig.) besluitloos (overig.) aarzelend (overig.) |
| talmer | treuzelkous (overig.) treuzelaar (overig.) treuzel (overig.) teut (overig.) sukkel (overig.) slak (overig.) sijsjeslijmer (overig.) hannes (overig.) |
| talmster | treuzelares (overig.) treuzel (overig.) teut (overig.) |
| talrijk | talloos (bijv. naamw.) |
| talrijkheid | veelheid (zelfst. naamw.) |