Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `T`

Pagina 10 van 42 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
tempering
moderatie (zelfst. naamw.)
tempo
snelheid (zelfst. naamw.)
vaart (zelfst. naamw.)
vlugheid (zelfst. naamw.)
spoed (zelfst. naamw.)
gang (zelfst. naamw.)
vlotheid (zelfst. naamw.)
schielijkheid (zelfst. naamw.)
rapiditeit (zelfst. naamw.)
rapheid (zelfst. naamw.)
gezwindheid (zelfst. naamw.)
snel (overig.)
temporair
tijdelijk (bijv. naamw.)
temporeel
tijdelijk (overig.)
zolang (overig.)
voorlopig (overig.)
voorbijgaand (overig.)
tussentijds (overig.)
provisorisch (overig.)
kortstondig (overig.)
aards (overig.)
temporiseren
ophouden (werkwoord)
vertragen (werkwoord)
rekken (werkwoord)
temptatie
beproeving (zelfst. naamw.)
verleiding (zelfst. naamw.)
nood (zelfst. naamw.)
kwelling (zelfst. naamw.)
grief (zelfst. naamw.)
ergernis (zelfst. naamw.)
bezoeking (zelfst. naamw.)
verzoeking (zelfst. naamw.)
verovering (zelfst. naamw.)
verlokking (zelfst. naamw.)
seductie (zelfst. naamw.)
bekoring (zelfst. naamw.)
aanvechting (zelfst. naamw.)
ten
kolenwagen (overig.)
kolenkar (overig.)
ten bate
ten voordele van (overig.)
ten belope
ter waarde (overig.)
ten eerste
primo (overig.)
ten minste
zeker (Bijwoord)
minimaal (Bijwoord)
minstens (Bijwoord)
ten slotte
tot besluit (Bijwoord)
uiteindelijk (Bijwoord)
ten tweede
secundo (overig.)
ten voordele van
ten bate (overig.)
tendens
strekking (Zelfst. Naamw.)
bedoeling (zelfst. naamw.)
hang (zelfst. naamw.)
trend (zelfst. naamw.)
beweging (zelfst. naamw.)
neiging (zelfst. naamw.)
geneigdheid (zelfst. naamw.)
tendentieus
gekleurd (bijv. naamw.)
vooringenomen (bijv. naamw.)
bevooroordeeld (bijv. naamw.)
tender
kolenwagen (zelfst. naamw.)
tendinitis
peesontsteking (zelfst. naamw.)
teneergeslagen
mismoedig (bijv. naamw.)
verdrietig (bijv. naamw.)
neerslachtig (bijv. naamw.)
mistroostig (bijv. naamw.)
teneinde
om (Bijwoord)
teneindelopen
aflopen (werkwoord)
eindigen (werkwoord)
tenen
teen (overig.)
teneur
geest (zelfst. naamw.)
strekking (zelfst. naamw.)
teng
tingel (overig.)
tengel
grijpstuiver (zelfst. naamw.)
poot (zelfst. naamw.)
tengels
fikken (zelfst. naamw.)
tenger
rank (Bijvoeglijk naamwoord)
broos (bijv. naamw.)
fijngebouwd (bijv. naamw.)
lichtgebouwd (bijv. naamw.)
mager (bijv. naamw.)
spichtig (bijv. naamw.)
teer (bijv. naamw.)
fijntjes (bijv. naamw.)
sprieterig (bijv. naamw.)
slank (bijv. naamw.)
fijn (bijv. naamw.)
dun (bijv. naamw.)
zwak (bijv. naamw.)
teder (bijv. naamw.)
kwetsbaar (bijv. naamw.)
iel (bijv. naamw.)
frèle (bijv. naamw.)
fragiel (bijv. naamw.)
fijngevoelig (bijv. naamw.)
delicaat (bijv. naamw.)
breekbaar (bijv. naamw.)
tenietdoen
vernietigen (werkwoord)
delgen (werkwoord)
tenietdoening
nietigverklaring (zelfst. naamw.)
annulering (zelfst. naamw.)
annuleren (overig.)
tenietgaan
afsterven (overig.)
tenlastelegging
aanklacht (zelfst. naamw.)
beschuldiging (zelfst. naamw.)
tenminste
althans (overig.)
minstens (overig.)
tennisbaan
tennisveld (overig.)
tennisbanen
tennisvelden (zelfst. naamw.)
tennisveld
tennisbaan (overig.)
tennisvelden
tennisbanen (zelfst. naamw.)
tenondergaan
zinken (overig.)
wegrotten (overig.)
verteren (overig.)
verrotten (overig.)
vergaan (overig.)
teruggaan (overig.)
instorten (overig.)
bezwijken (overig.)
achteruitgaan (overig.)
afleggen (overig.)
tenondergang
val (overig.)
teloorgang (overig.)
ondergang (overig.)
debacle (overig.)
tensie
druk (zelfst. naamw.)
bloeddruk (zelfst. naamw.)
tenslotte
uiteindelijk (Bijwoord)
eindelijk (overig.)
immers (overig.)
tent
gelegenheid (zelfst. naamw.)
kampeertent (zelfst. naamw.)
kraam (zelfst. naamw.)
tentamen
proef (zelfst. naamw.)
tentdek
tentzeil (overig.)
tentlinnen (overig.)
tentdoek
tentkleed (overig.)
tentstof (overig.)
tentenkamp
kamp (zelfst. naamw.)
kampement (zelfst. naamw.)
tenthaak
haring (zelfst. naamw.)
tentharing
pin (zelfst. naamw.)
haring (zelfst. naamw.)
tentkleed
tentdoek (overig.)
tentlinnen
tentzeil (overig.)
tentdek (overig.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English