Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `S`

Pagina 8 van 85 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
schaven
schuren (werkwoord)
slijten (werkwoord)
schaven aan
perfectioneren (Werkwoord)
schavielen
schavelen (werkwoord)
schavuit
boef (zelfst. naamw.)
vleg (zelfst. naamw.)
schelm (zelfst. naamw.)
ondeugd (zelfst. naamw.)
kwajongen (zelfst. naamw.)
deugniet (zelfst. naamw.)
boefje (zelfst. naamw.)
beng (zelfst. naamw.)
picaro (zelfst. naamw.)
schavuiten
guiten (overig.)
gladakkers (overig.)
deugnieten (overig.)
boefjes (overig.)
schede
kut (Zelfst. Naamw.)
vagina (Zelfst. Naamw.)
doosje (zelfst. naamw.)
foedraal (zelfst. naamw.)
schedel
doodshoofd (zelfst. naamw.)
hersenpan (zelfst. naamw.)
scheef
schuin (Bijvoeglijk naamwoord)
argwanend (bijv. naamw.)
dwars (bijv. naamw.)
krom (bijv. naamw.)
lijp (bijv. naamw.)
vals (bijv. naamw.)
jaloers (bijv. naamw.)
hellend (bijv. naamw.)
verkeerd (bijv. naamw.)
scheefhals
torticollis (zelfst. naamw.)
scheefheid
schuinte (zelfst. naamw.)
schuinheid (zelfst. naamw.)
scheefte (zelfst. naamw.)
scheefte
schuinte (zelfst. naamw.)
schuinheid (zelfst. naamw.)
scheefheid (zelfst. naamw.)
scheel
loens (bijv. naamw.)
loensend (bijv. naamw.)
scheelzien
strabismus (zelfst. naamw.)
scheen
scheenbeen (Zelfst. Naamw.)
been (zelfst. naamw.)
scheenbeen
scheen (zelfst. naamw.)
scheepje
vaartuig (overig.)
stoomschip (overig.)
schuitje (overig.)
schuit (overig.)
schip (overig.)
bootje (overig.)
boot (overig.)
scheepjes
schuitjes (overig.)
bootjes (overig.)
scheepsagent
cargadoor (zelfst. naamw.)
scheepsagenten
cargadoren (overig.)
cargadoors (overig.)
scheepsbeschuit
kaak (zelfst. naamw.)
scheepsbouwwerf
scheepswerf (zelfst. naamw.)
scheepsdek
boord (zelfst. naamw.)
scheepsgez
zeevaar (overig.)
varensgez (overig.)
scheepsgezagvoerder
kapitein (zelfst. naamw.)
scheepskapitein (zelfst. naamw.)
scheepsgezagvoerders
schippers (overig.)
scheepskapiteins (overig.)
kapiteins (overig.)
scheepsgezel
varensgezel (zelfst. naamw.)
scheepshut
hut (zelfst. naamw.)
scheepsinhoud
tonnenmaat (overig.)
tonnengeld (overig.)
tonnage (overig.)
scheepsruimte (overig.)
laadruimte (overig.)
scheepsjongen
ketelbinkie (overig.)
kajuitsjongen (overig.)
scheepsjournaal
journaal (zelfst. naamw.)
logboek (zelfst. naamw.)
scheepskabel
kabel (zelfst. naamw.)
kabeltouw (zelfst. naamw.)
kab (zelfst. naamw.)
scheepskampanje
kampanje (zelfst. naamw.)
scheepskapitein
ouwe (overig.)
scheepsgezagvoerder (overig.)
kapitein (overig.)
schipper (overig.)
scheepskapiteins
schippers (overig.)
scheepsgezagvoerders (overig.)
kapiteins (overig.)
scheepskeuken
kombuis (zelfst. naamw.)
scheepsmaat
matroos (zelfst. naamw.)
scheepsmakelaars
scheepsmakelaren (overig.)
scheepsmakelaren
scheepsmakelaars (overig.)
scheepsrecht
zeerecht (zelfst. naamw.)
scheepsromp
casco (zelfst. naamw.)
scheepsruimte
tonnage (zelfst. naamw.)
tonnenmaat (zelfst. naamw.)
tonnengeld (zelfst. naamw.)
scheepsinhoud (zelfst. naamw.)
laadruimte (zelfst. naamw.)
scheepsvolk
bemanning (zelfst. naamw.)
scheepswant
want (overig.)
scheepswerf
scheepsbouwwerf (zelfst. naamw.)
werf (zelfst. naamw.)
scheepswerven
werven (zelfst. naamw.)
scheepswrak
wrak (zelfst. naamw.)
scheepszwaarden
zwaarden (zelfst. naamw.)
scheepvaart
navigatie (zelfst. naamw.)
zeevaart (zelfst. naamw.)
scheepvaartbedrijf
rederij (overig.)
scheepvaartbeurs
schippersbeurs (overig.)
scheepvaartroute
zeeroute (zelfst. naamw.)
scheer
uitstekenrots (overig.)
rif (overig.)
klip (overig.)
schapenscheer (overig.)
scheermes
mes (zelfst. naamw.)
scheerzeep
zeep (zelfst. naamw.)
scheet
wind (Zelfst. Naamw.)
scheetje
snoes (overig.)
schatje (overig.)
schat (overig.)
poepje (overig.)
lieve (overig.)
liefste (overig.)
liefje (overig.)
duifje (overig.)
beminde (overig.)
schattebout (overig.)
dot (overig.)
scheidbaar
uitneembaar (bijv. naamw.)
scheiden
afzonderen (werkwoord)
losmaken (werkwoord)
separeren (werkwoord)
splitsen (werkwoord)
uitsplitsen (werkwoord)
loswerken (werkwoord)
loskrijgen (werkwoord)
detacheren (werkwoord)
afsplitsen (werkwoord)
afscheiden (werkwoord)
uiteenhalen (werkwoord)
uiteengaan (werkwoord)
loskoppelen (werkwoord)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English