| Woord | Synoniem |
| schaven | schuren (werkwoord) slijten (werkwoord) |
| schaven aan | perfectioneren (Werkwoord) |
| schavielen | schavelen (werkwoord) |
| schavuit | boef (zelfst. naamw.) vleg (zelfst. naamw.) schelm (zelfst. naamw.) ondeugd (zelfst. naamw.) kwajongen (zelfst. naamw.) deugniet (zelfst. naamw.) boefje (zelfst. naamw.) beng (zelfst. naamw.) picaro (zelfst. naamw.) |
| schavuiten | guiten (overig.) gladakkers (overig.) deugnieten (overig.) boefjes (overig.) |
| schede | kut (Zelfst. Naamw.) vagina (Zelfst. Naamw.) doosje (zelfst. naamw.) foedraal (zelfst. naamw.) |
| schedel | doodshoofd (zelfst. naamw.) hersenpan (zelfst. naamw.) |
| scheef | schuin (Bijvoeglijk naamwoord) argwanend (bijv. naamw.) dwars (bijv. naamw.) krom (bijv. naamw.) lijp (bijv. naamw.) vals (bijv. naamw.) jaloers (bijv. naamw.) hellend (bijv. naamw.) verkeerd (bijv. naamw.) |
| scheefhals | torticollis (zelfst. naamw.) |
| scheefheid | schuinte (zelfst. naamw.) schuinheid (zelfst. naamw.) scheefte (zelfst. naamw.) |
| scheefte | schuinte (zelfst. naamw.) schuinheid (zelfst. naamw.) scheefheid (zelfst. naamw.) |
| scheel | loens (bijv. naamw.) loensend (bijv. naamw.) |
| scheelzien | strabismus (zelfst. naamw.) |
| scheen | scheenbeen (Zelfst. Naamw.) been (zelfst. naamw.) |
| scheenbeen | scheen (zelfst. naamw.) |
| scheepje | vaartuig (overig.) stoomschip (overig.) schuitje (overig.) schuit (overig.) schip (overig.) bootje (overig.) boot (overig.) |
| scheepjes | schuitjes (overig.) bootjes (overig.) |
| scheepsagent | cargadoor (zelfst. naamw.) |
| scheepsagenten | cargadoren (overig.) cargadoors (overig.) |
| scheepsbeschuit | kaak (zelfst. naamw.) |
| scheepsbouwwerf | scheepswerf (zelfst. naamw.) |
| scheepsdek | boord (zelfst. naamw.) |
| scheepsgez | zeevaar (overig.) varensgez (overig.) |
| scheepsgezagvoerder | kapitein (zelfst. naamw.) scheepskapitein (zelfst. naamw.) |
| scheepsgezagvoerders | schippers (overig.) scheepskapiteins (overig.) kapiteins (overig.) |
| scheepsgezel | varensgezel (zelfst. naamw.) |
| scheepshut | hut (zelfst. naamw.) |
| scheepsinhoud | tonnenmaat (overig.) tonnengeld (overig.) tonnage (overig.) scheepsruimte (overig.) laadruimte (overig.) |
| scheepsjongen | ketelbinkie (overig.) kajuitsjongen (overig.) |
| scheepsjournaal | journaal (zelfst. naamw.) logboek (zelfst. naamw.) |
| scheepskabel | kabel (zelfst. naamw.) kabeltouw (zelfst. naamw.) kab (zelfst. naamw.) |
| scheepskampanje | kampanje (zelfst. naamw.) |
| scheepskapitein | ouwe (overig.) scheepsgezagvoerder (overig.) kapitein (overig.) schipper (overig.) |
| scheepskapiteins | schippers (overig.) scheepsgezagvoerders (overig.) kapiteins (overig.) |
| scheepskeuken | kombuis (zelfst. naamw.) |
| scheepsmaat | matroos (zelfst. naamw.) |
| scheepsmakelaars | scheepsmakelaren (overig.) |
| scheepsmakelaren | scheepsmakelaars (overig.) |
| scheepsrecht | zeerecht (zelfst. naamw.) |
| scheepsromp | casco (zelfst. naamw.) |
| scheepsruimte | tonnage (zelfst. naamw.) tonnenmaat (zelfst. naamw.) tonnengeld (zelfst. naamw.) scheepsinhoud (zelfst. naamw.) laadruimte (zelfst. naamw.) |
| scheepsvolk | bemanning (zelfst. naamw.) |
| scheepswant | want (overig.) |
| scheepswerf | scheepsbouwwerf (zelfst. naamw.) werf (zelfst. naamw.) |
| scheepswerven | werven (zelfst. naamw.) |
| scheepswrak | wrak (zelfst. naamw.) |
| scheepszwaarden | zwaarden (zelfst. naamw.) |
| scheepvaart | navigatie (zelfst. naamw.) zeevaart (zelfst. naamw.) |
| scheepvaartbedrijf | rederij (overig.) |
| scheepvaartbeurs | schippersbeurs (overig.) |
| scheepvaartroute | zeeroute (zelfst. naamw.) |
| scheer | uitstekenrots (overig.) rif (overig.) klip (overig.) schapenscheer (overig.) |
| scheermes | mes (zelfst. naamw.) |
| scheerzeep | zeep (zelfst. naamw.) |
| scheet | wind (Zelfst. Naamw.) |
| scheetje | snoes (overig.) schatje (overig.) schat (overig.) poepje (overig.) lieve (overig.) liefste (overig.) liefje (overig.) duifje (overig.) beminde (overig.) schattebout (overig.) dot (overig.) |
| scheidbaar | uitneembaar (bijv. naamw.) |
| scheiden | afzonderen (werkwoord) losmaken (werkwoord) separeren (werkwoord) splitsen (werkwoord) uitsplitsen (werkwoord) loswerken (werkwoord) loskrijgen (werkwoord) detacheren (werkwoord) afsplitsen (werkwoord) afscheiden (werkwoord) uiteenhalen (werkwoord) uiteengaan (werkwoord) loskoppelen (werkwoord) |