Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `P`

Pagina 6 van 39 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
partner
levensgezel (zelfst. naamw.)
maat (zelfst. naamw.)
medestrijder (zelfst. naamw.)
zakenpartner (zelfst. naamw.)
man (zelfst. naamw.)
levenspartner (zelfst. naamw.)
levensgez (zelfst. naamw.)
eega (zelfst. naamw.)
gez (zelfst. naamw.)
medestrij (zelfst. naamw.)
medestan (zelfst. naamw.)
bondgenoot (zelfst. naamw.)
vennoot (zelfst. naamw.)
medefirmant (zelfst. naamw.)
partners
medewerkers (overig.)
partus
baring (zelfst. naamw.)
party
feest (zelfst. naamw.)
fuif (zelfst. naamw.)
instuif (zelfst. naamw.)
partij (zelfst. naamw.)
partijtje (zelfst. naamw.)
festijn (zelfst. naamw.)
viering (zelfst. naamw.)
feestje (zelfst. naamw.)
parvenu
snob (zelfst. naamw.)
schoenlapper (zelfst. naamw.)
pas
daarnet (bijv. naamw.)
onlangs (bijv. naamw.)
op maat (bijv. naamw.)
waterpas (bijv. naamw.)
bankpas (zelfst. naamw.)
bergpas (zelfst. naamw.)
betaalpas (zelfst. naamw.)
laissez-passer (zelfst. naamw.)
paspoort (zelfst. naamw.)
schrede (zelfst. naamw.)
stap (zelfst. naamw.)
juist (zelfst. naamw.)
nog maar (zelfst. naamw.)
schielijk (zelfst. naamw.)
net (zelfst. naamw.)
meteen (zelfst. naamw.)
dadelijk (zelfst. naamw.)
daarstraks (zelfst. naamw.)
aanstonds (zelfst. naamw.)
zonet (zelfst. naamw.)
zojuist (zelfst. naamw.)
zo-even (zelfst. naamw.)
straks (zelfst. naamw.)
recentelijk (zelfst. naamw.)
laatstelijk (zelfst. naamw.)
laatst (zelfst. naamw.)
kortgeleden (zelfst. naamw.)
kortelings (zelfst. naamw.)
identiteitsbewijs (zelfst. naamw.)
pasar
markt (zelfst. naamw.)
pasgeboren
jong (bijv. naamw.)
pasgeborene
baby (zelfst. naamw.)
pasgeld
pasmunt (zelfst. naamw.)
pashokje
paskamer (zelfst. naamw.)
kleedhokje (zelfst. naamw.)
pasje
pas (zelfst. naamw.)
paskamer
kleedhokje (zelfst. naamw.)
pashokje (zelfst. naamw.)
paskwil
bespotting (zelfst. naamw.)
grap (zelfst. naamw.)
pamflet (zelfst. naamw.)
pasmunt
kleingeld (zelfst. naamw.)
paspoort
identiteitsbewijs (zelfst. naamw.)
legitimatiebewijs (zelfst. naamw.)
pas (zelfst. naamw.)
papieren (zelfst. naamw.)
paspop
buste (zelfst. naamw.)
kostuumpop (zelfst. naamw.)
ledenpop (zelfst. naamw.)
passaat
wind (zelfst. naamw.)
passabel
acceptabel (bijv. naamw.)
begaanbaar (bijv. naamw.)
passeerbaar (bijv. naamw.)
passage
corridor (zelfst. naamw.)
doorgang (zelfst. naamw.)
galerij (zelfst. naamw.)
gangpad (zelfst. naamw.)
gedeelte (zelfst. naamw.)
ontlasting (zelfst. naamw.)
gang (zelfst. naamw.)
doorloop (zelfst. naamw.)
fragment (overig.)
passagier
inzittende (zelfst. naamw.)
reiziger (zelfst. naamw.)
passagiers
inzittenden (overig.)
passagiersschip
oceaanstomer (overig.)
passant
voorbijganger (zelfst. naamw.)
passe-partout
passepartout (zelfst. naamw.)
passeerbaar
passabel (overig.)
passement
boordsel (zelfst. naamw.)
oplegsel (zelfst. naamw.)
omzoming (zelfst. naamw.)
galon (zelfst. naamw.)
versierenomzoming (zelfst. naamw.)
passementerie (zelfst. naamw.)
passementerie
versierenomzoming (overig.)
passement (overig.)
passen
aanproberen (werkwoord)
afmeten (werkwoord)
afzien van (werkwoord)
betamen (werkwoord)
betreffen (werkwoord)
bijpassen (werkwoord)
gepast betalen (werkwoord)
schikken (werkwoord)
staan (werkwoord)
voetstappen (zelfst. naamw.)
aanpassen (werkwoord)
aftellen (werkwoord)
voegen (werkwoord)
uitkomen (werkwoord)
horen (werkwoord)
behoren (werkwoord)
deugen (werkwoord)
conveniëren (werkwoord)
proberen (werkwoord)
treden (werkwoord)
stappen (werkwoord)
schreden (werkwoord)
passen bij
horen bij (Werkwoord)
passen op
letten op (Werkwoord)
passend
correct (Bijvoeglijk naamwoord)
adequaat (bijv. naamw.)
geëigend (bijv. naamw.)
geschikt (bijv. naamw.)
sluitend (bijv. naamw.)
overeenstemmend (bijv. naamw.)
bijpassend (bijv. naamw.)
netjes (bijv. naamw.)
fatsoenlijk (bijv. naamw.)
behoorlijk (bijv. naamw.)
gepast (bijv. naamw.)
juist (bijv. naamw.)
Passend (e)
Correct ()
gepast ()
passende
juiste (bijv. naamw.)
passendheid
functionaliteit ()
geschiktheid ()
volledigheid ()
compleetheid ()
passepartout
passe-partout (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English