| Woord | Synoniem |
| omhooghouden | hooghouden (werkwoord) ophouden (werkwoord) |
| omhoogklimmen | klimmen (werkwoord) stijgen (werkwoord) omhoogstijgen (werkwoord) |
| omhoogkomen | opkomen (werkwoord) bovenkomen (werkwoord) verheffen (werkwoord) opstaan (werkwoord) opvliegen (werkwoord) opstijgen (werkwoord) stijging (werkwoord) stijgen (werkwoord) klimmen (werkwoord) |
| omhoogrijzen | rijzen (werkwoord) oprijzen (werkwoord) opstaan (werkwoord) |
| omhoogsteken | opsteken (werkwoord) prijzen (werkwoord) |
| omhoogstijgen | aanwassen (werkwoord) rijzen (werkwoord) stijgen (werkwoord) omhoogklimmen (werkwoord) klimmen (werkwoord) |
| omhoogtrekken | optrekken (werkwoord) |
| omhoogwerpen | opwerpen (werkwoord) |
| omhouwen | kappen (werkwoord) |
| omhullen | bedekken (werkwoord) versluieren (werkwoord) verhullen (werkwoord) maskeren (werkwoord) inhullen (werkwoord) hullen (werkwoord) bemantelen (werkwoord) |
| omhulsel | bedekking (zelfst. naamw.) buitenkant (zelfst. naamw.) huls (zelfst. naamw.) omkleedsel (zelfst. naamw.) omwindsel (zelfst. naamw.) verpakking (zelfst. naamw.) vel (zelfst. naamw.) huid (zelfst. naamw.) kleding (zelfst. naamw.) |
| omineus | dreigend (bijv. naamw.) |
| omissie | nalatigheid (zelfst. naamw.) weglating (zelfst. naamw.) |
| omkantelen | kantelen (werkwoord) |
| omkeer | kentering (zelfst. naamw.) wijziging (zelfst. naamw.) wijzigen (zelfst. naamw.) wending (zelfst. naamw.) verandering (zelfst. naamw.) veranderen (zelfst. naamw.) transformatie (zelfst. naamw.) omwisselen (zelfst. naamw.) omschakeling (zelfst. naamw.) hervorming (zelfst. naamw.) omslag (zelfst. naamw.) ommezwaai (zelfst. naamw.) ommekeer (zelfst. naamw.) ombuiging (zelfst. naamw.) keer (zelfst. naamw.) |
| omkeerbaar | reversibel (zelfst. naamw.) |
| omkegelen | omgooien (werkwoord) |
| omkeren | kantelen (werkwoord) keren (werkwoord) ombladeren (werkwoord) omdraaien (werkwoord) omwerken (werkwoord) teruggaan (werkwoord) terugkeren (werkwoord) omvergooien (werkwoord) omgooien (werkwoord) omslaan (werkwoord) terugkomen (werkwoord) retourneren (werkwoord) |
| omkering | inversie (zelfst. naamw.) kering (zelfst. naamw.) ommedraai (zelfst. naamw.) |
| omkeringen | ommekeren (overig.) kenteringen (overig.) |
| omkiepen | omwerpen (werkwoord) omverwerpen (werkwoord) omvergooien (werkwoord) omkieperen (werkwoord) omgooien (werkwoord) |
| omkieperen | omwerpen (werkwoord) omverwerpen (werkwoord) omvergooien (werkwoord) omkiepen (werkwoord) omgooien (werkwoord) |
| omkijken | omzien (werkwoord) terugkijken (werkwoord) achteruitkijken (werkwoord) |
| omkleden | bekleden (werkwoord) inkleden (werkwoord) verkleden (werkwoord) |
| omkleedsel | omhulsel (zelfst. naamw.) omwindsel (zelfst. naamw.) huls (zelfst. naamw.) buitenkant (zelfst. naamw.) verpakking (zelfst. naamw.) |
| omklemmen | klemmen (werkwoord) knellen (werkwoord) omknellen (werkwoord) |
| omknellen | omklemmen (werkwoord) |
| omkomen | doodgaan (werkwoord) sterven (werkwoord) verstrijken (werkwoord) verlopen (werkwoord) vergaan (werkwoord) overgaan (werkwoord) overdrijven (werkwoord) doorgaan (werkwoord) aflopen (werkwoord) afleggen (werkwoord) overlijden (werkwoord) kapotgaan (werkwoord) wegvallen (werkwoord) vallen (werkwoord) sneuvelen (werkwoord) inslapen (werkwoord) heengaan (werkwoord) bezwijken (werkwoord) |
| omkoopbaar | corrupt (bijv. naamw.) |
| omkoopbaarheid | corruptie (zelfst. naamw.) |
| omkopen | corrumperen (werkwoord) kopen (werkwoord) |
| omkoperij | corruptie (overig.) |
| omkoping | corruptie (zelfst. naamw.) |
| omlaag | naar beneden (overig.) eraf (overig.) neer (overig.) |
| omlaaghalen | neerhalen (werkwoord) schaden (werkwoord) fbekritiseren (werkwoord) |
| omlaagklauteren | afstijgen (overig.) afklimmen (overig.) |
| omlaagkomen | neerkomen (overig.) neerdalen (overig.) landen (overig.) afdalen (overig.) |
| omlaagrijden | afrijden (werkwoord) |
| omlaagstappen | afstappen (werkwoord) |
| omlaagstorten | gevallen (werkwoord) vallen (werkwoord) |
| omlaagvallen | vallen (overig.) |