| Woord | Synoniem |
| net | aanstonds (zelfst. naamw.) zorgvuldig (zelfst. naamw.) stipt (zelfst. naamw.) secuur (zelfst. naamw.) precies (zelfst. naamw.) zonet (zelfst. naamw.) zojuist (zelfst. naamw.) zo-even (zelfst. naamw.) straks (zelfst. naamw.) fatsoenlijk (zelfst. naamw.) eerzaam (zelfst. naamw.) eerlijk (zelfst. naamw.) degelijk (zelfst. naamw.) schoon (zelfst. naamw.) kuis (zelfst. naamw.) tv kanaal (overig.) |
| Net | ordelijk () Geordend () systematisch () |
| netel | dovenetel (overig.) brandnetel (overig.) |
| netelig | bedenkelijk (bijv. naamw.) precair (bijv. naamw.) penibel (bijv. naamw.) lastig (bijv. naamw.) kritiek (bijv. naamw.) hachelijk (bijv. naamw.) delicaat (bijv. naamw.) moeilijk (bijv. naamw.) stekelig (bijv. naamw.) doornig (bijv. naamw.) heikel (overig.) |
| neteligheid | hachelijkheid (zelfst. naamw.) |
| netelroos | urticaria (zelfst. naamw.) |
| netelroosschrift | dermografie (zelfst. naamw.) |
| netheid | keurigheid (zelfst. naamw.) onberispelijkheid (zelfst. naamw.) ordelijkheid (zelfst. naamw.) properheid (zelfst. naamw.) reinheid (zelfst. naamw.) kiesheid (zelfst. naamw.) gepastheid (zelfst. naamw.) fatsoenlijkheid (zelfst. naamw.) fatsoen (zelfst. naamw.) eerbaarheid (zelfst. naamw.) smetteloosheid (zelfst. naamw.) opgeruimdheid (zelfst. naamw.) |
| nethouden | schoonhouden (overig.) knaphouden (overig.) |
| netjes | keurig (Bijvoeglijk naamwoord) christelijk (bijv. naamw.) decent (bijv. naamw.) gereinigd (bijv. naamw.) kies (bijv. naamw.) opgeruimd (bijv. naamw.) ordentelijk (bijv. naamw.) proper (bijv. naamw.) toonbaar (bijv. naamw.) welgemanierd (bijv. naamw.) zorgvuldig (bijv. naamw.) behoorlijk (bijv. naamw.) net (bijv. naamw.) passend (bijv. naamw.) fatsoenlijk (bijv. naamw.) welvoeglijk (bijv. naamw.) manierlijk (bijv. naamw.) eerbaar (bijv. naamw.) welopgevoed (bijv. naamw.) beschaafd (bijv. naamw.) gepast (bijv. naamw.) schoon (bijv. naamw.) ordelijk (bijv. naamw.) zuiver (bijv. naamw.) gekuist (bijv. naamw.) |
| netnummer | kengetal (zelfst. naamw.) nummer (zelfst. naamw.) |
| netto | onbelast (bijv. naamw.) schoon (bijv. naamw.) zuiver (bijv. naamw.) |
| netvliesaandoening | retinopathie (zelfst. naamw.) |
| netwerk | net (zelfst. naamw.) raamwerk (zelfst. naamw.) samenstel (zelfst. naamw.) |
| neuken | ketsen (werkwoord) kezen (werkwoord) kippenhokken (werkwoord) kniepen (werkwoord) palen (werkwoord) poepen (werkwoord) seksen (werkwoord) vossen (werkwoord) wippen (werkwoord) ballen (werkwoord) batsen (werkwoord) bonken (werkwoord) in-betweenen (werkwoord) pompen (werkwoord) poten (werkwoord) van bil gaan (werkwoord) vogelen (werkwoord) naaien (werkwoord) vrijen (werkwoord) paren (werkwoord) vozen (werkwoord) Soppen (werkwoord) |
| neuralgie | zenuwpijn (zelfst. naamw.) |
| neuritis | zenuwontsteking (zelfst. naamw.) |
| neuroleptanalgesie | pijnstilling (zelfst. naamw.) |
| neuroloog | specialist (zelfst. naamw.) zenuwarts (zelfst. naamw.) |
| neuron | zenuwcel (overig.) |
| neuroot | zenuwpees (overig.) zenuwlij (overig.) |
| neuropathie | zenuwziekte (zelfst. naamw.) |
| neus | boeg (zelfst. naamw.) gok (zelfst. naamw.) reuk (zelfst. naamw.) reukorgaan (zelfst. naamw.) topje (zelfst. naamw.) top (zelfst. naamw.) tip (zelfst. naamw.) spits (zelfst. naamw.) punt (zelfst. naamw.) piek (zelfst. naamw.) tuit (zelfst. naamw.) snoet (zelfst. naamw.) snavel (zelfst. naamw.) |
| neus- | neusklank (overig.) neusbeen (overig.) nasaal (overig.) |
| neusbeen | neusklank (overig.) neus- (overig.) nasaal (overig.) |
| neusbloeding | epistaxis (zelfst. naamw.) |
| neusdrop | rinorroe (zelfst. naamw.) |
| neushoorn | rinoceros (zelfst. naamw.) |
| neusklank | neusbeen (overig.) neus- (overig.) nasaal (overig.) |
| neusverkoudheid | rhinitis (zelfst. naamw.) |
| neuswarmertje | kort (overig.) |
| neut | borrel (zelfst. naamw.) drankje (zelfst. naamw.) slok (zelfst. naamw.) borr (zelfst. naamw.) |
| neutje | slokje (overig.) opkikkertje (overig.) glaasje (overig.) borreltje (overig.) |