| Woord | Synoniem |
| neerzakken | neerploffen (werkwoord) |
| neerzetten | zetten (Werkwoord) bijzetten (werkwoord) deponeren (werkwoord) geplaatst (werkwoord) opstellen (werkwoord) plaatsen (werkwoord) planten (werkwoord) poten (werkwoord) nederzetten (werkwoord) stationeren (werkwoord) neerleggen (werkwoord) leggen (werkwoord) |
| neerzien | minachten (werkwoord) |
| neerzijgen | neervallen (werkwoord) neerzakken (werkwoord) |
| nefritis | nierontsteking (zelfst. naamw.) |
| nefroliet | niersteen (zelfst. naamw.) |
| nefropathie | nierziekte (zelfst. naamw.) |
| negatief | afbrekend (bijv. naamw.) beklagend (bijv. naamw.) ontkennend (bijv. naamw.) afwezig (bijv. naamw.) zeurderig (bijv. naamw.) |
| negende | negendeel (overig.) |
| negendeel | negende (overig.) |
| negental | team (zelfst. naamw.) |
| neger | zwarte (Zelfst. Naamw.) kleurling (zelfst. naamw.) afro (overig.) |
| negeren | veronachtzamen (werkwoord) wegcijferen (werkwoord) passeren (werkwoord) ontafschuiven (werkwoord) |
| negerin | zwarte (Zelfst. Naamw.) |
| negorij | gat (zelfst. naamw.) |
| negotie | handel (zelfst. naamw.) koophand (zelfst. naamw.) handelsverkeer (zelfst. naamw.) |
| neigen | hellen (werkwoord) zwemen (werkwoord) overhellen (werkwoord) |
| neiging | aandrang (zelfst. naamw.) aandrift (zelfst. naamw.) aanleg (zelfst. naamw.) geneigdheid (zelfst. naamw.) aanvechting (zelfst. naamw.) drang (zelfst. naamw.) impuls (zelfst. naamw.) tendens (zelfst. naamw.) wankelend (zelfst. naamw.) schuin (zelfst. naamw.) helling (zelfst. naamw.) hellend (zelfst. naamw.) achteruitgaand (zelfst. naamw.) inclinatie (zelfst. naamw.) hang (zelfst. naamw.) gezindheid (zelfst. naamw.) drift (zelfst. naamw.) trend (zelfst. naamw.) |
| nek | hals (zelfst. naamw.) schouder (zelfst. naamw.) |
| nekken | de kop kosten (werkwoord) verzieken (werkwoord) ruïneren (werkwoord) bederven (werkwoord) |
| nekslag | dood (zelfst. naamw.) |
| nekwerv | werv (overig.) |
| nekwervel | wervel (zelfst. naamw.) |
| nemen | aanpakken (werkwoord) aanschaffen (werkwoord) gebruiken (werkwoord) graaien (werkwoord) pakken (werkwoord) vatten (werkwoord) oprapen (werkwoord) aanvatten (werkwoord) douche (werkwoord) |
| nenia | treurdicht (zelfst. naamw.) lijkzang (zelfst. naamw.) treurzang (overig.) |
| nep | vals (Bijvoeglijk naamwoord) namaak (Zelfst. Naamw.) vervalst (bijv. naamw.) bedrog (zelfst. naamw.) rommel (zelfst. naamw.) zwendelarij (zelfst. naamw.) alsof (bijv. naamw.) oplichterij (zelfst. naamw.) knoeierij (zelfst. naamw.) nabootsing (zelfst. naamw.) imitatie (zelfst. naamw.) |
| neppen | bedonderen (werkwoord) bedriegen (werkwoord) |
| nerf | ader (zelfst. naamw.) |
| nering | bedrijf (zelfst. naamw.) handeldrijven (zelfst. naamw.) klandizie (zelfst. naamw.) koopwaar (zelfst. naamw.) winkelbedrijf (zelfst. naamw.) zaak (zelfst. naamw.) handel (zelfst. naamw.) ruilverkeer (zelfst. naamw.) koophand (zelfst. naamw.) handelsverkeer (zelfst. naamw.) waar (zelfst. naamw.) handelswaar (zelfst. naamw.) |
| nerts | mink (zelfst. naamw.) |
| nerveus | zenuwachtig (Bijvoeglijk naamwoord) geladen (bijv. naamw.) onrustig (bijv. naamw.) geagiteerd (bijv. naamw.) gejaagd (bijv. naamw.) |
| nervositeit | zenuwachtigheid (zelfst. naamw.) |
| nes | landtong (zelfst. naamw.) |
| nest | bed (zelfst. naamw.) broedplaats (zelfst. naamw.) gat (zelfst. naamw.) hol (zelfst. naamw.) kreng (zelfst. naamw.) worp (zelfst. naamw.) |
| nesten | worpen (overig.) |
| nesthaar | dons (zelfst. naamw.) |
| nestor | senior (overig.) oudste (overig.) |
| nestveren | livrei (overig.) lakeien (overig.) kenteken (overig.) dienstkleding (overig.) bedienden (overig.) |