| Woord | Synoniem |
| medewerkend | welwillend (overig.) coöperatief (overig.) |
| medewerker | personeelslid (Zelfst. Naamw.) collega (zelfst. naamw.) functionaris (zelfst. naamw.) teamgenoot (zelfst. naamw.) maat (zelfst. naamw.) werknemer (zelfst. naamw.) werkkracht (zelfst. naamw.) klerk (zelfst. naamw.) arbeidskracht (zelfst. naamw.) arbei (zelfst. naamw.) |
| medewerkers | mens (zelfst. naamw.) personeel (zelfst. naamw.) partners (overig.) |
| medewerking | assistentie (zelfst. naamw.) coöperatie (zelfst. naamw.) hulp (zelfst. naamw.) samenwerking (zelfst. naamw.) toedoen (zelfst. naamw.) |
| medewerkster | personeelslid (Zelfst. Naamw.) |
| medeweten | kennis (zelfst. naamw.) weten (zelfst. naamw.) |
| medezeggenschap | inspraak (zelfst. naamw.) |
| medezuster | medemens (zelfst. naamw.) |
| media | communicatiemiddelen (zelfst. naamw.) paparazzi (overig.) |
| mediator | hulpmiddel (zelfst. naamw.) |
| medicament | geneesmiddel (zelfst. naamw.) medicijn (zelfst. naamw.) remedie (zelfst. naamw.) middel (zelfst. naamw.) artsenijmiddel (zelfst. naamw.) |
| medicijn | geneesmiddel (Zelfst. Naamw.) geneeskunde (zelfst. naamw.) pil (zelfst. naamw.) medicament (zelfst. naamw.) remedie (zelfst. naamw.) middel (zelfst. naamw.) artsenijmiddel (zelfst. naamw.) |
| medicijnen | geneeskunde (zelfst. naamw.) medicijn (zelfst. naamw.) heelkun (zelfst. naamw.) geneeskunst (zelfst. naamw.) geneeskun (zelfst. naamw.) |
| medicijnflesje | fiool (zelfst. naamw.) |
| medicinaal | geneeskundig (bijv. naamw.) geneeskrachtig (bijv. naamw.) medisch (bijv. naamw.) |
| medicriet | mediocriteit (overig.) |
| medicus | arts (zelfst. naamw.) geneesheer (zelfst. naamw.) dokter (zelfst. naamw.) |
| mediëren | bemiddelen (werkwoord) |
| medio | tussen (overig.) onder (overig.) middenin (overig.) midden (overig.) |
| mediocre | matig (overig.) |
| mediocriteit | middelmaat (zelfst. naamw.) medicriet (zelfst. naamw.) |
| medisch | geneeskundig (bijv. naamw.) medicinaal (bijv. naamw.) |
| meditatie | beschouwing (zelfst. naamw.) bespiegeling (zelfst. naamw.) contemplatie (zelfst. naamw.) overpeinzing (zelfst. naamw.) overdenking (zelfst. naamw.) gepeins (zelfst. naamw.) |
| meditatief | beschouwend (bijv. naamw.) |
| mediteren | overpeinzen (werkwoord) |
| medium | gemiddeld (bijv. naamw.) hulpmiddel (zelfst. naamw.) instrument (zelfst. naamw.) intermediair (zelfst. naamw.) carrier (zelfst. naamw.) modaal (zelfst. naamw.) middelmatig (zelfst. naamw.) doorsnee (zelfst. naamw.) omgeving (zelfst. naamw.) milieu (zelfst. naamw.) |
| medley | potpourri (zelfst. naamw.) |
| medullair | mergachtig (bijv. naamw.) |
| mee | mede (bijv. naamw.) |
| mee-eter | comedo (zelfst. naamw.) vetpuistje (zelfst. naamw.) pukkel (zelfst. naamw.) puistje (zelfst. naamw.) |
| meebeslissen | meespreken (werkwoord) |
| meebetalen | bijleggen (werkwoord) |
| meebrengen | brengen (werkwoord) eisen (werkwoord) meenemen (werkwoord) medebrengen (werkwoord) vergaderen (werkwoord) medenemen (werkwoord) bijeenbrengen (werkwoord) afhalen (werkwoord) |
| meeconverseren | meepraten (overig.) |
| meedelen | bekendmaken (Werkwoord) deelhebben (werkwoord) rapporteren (werkwoord) mededelen (werkwoord) verwittigen (werkwoord) aankondigen (werkwoord) voortzeggen (werkwoord) berichten (werkwoord) melden (werkwoord) informeren (werkwoord) |
| meedingen | mededingen (werkwoord) wedijveren (werkwoord) concurreren (werkwoord) |
| meedoen | deelnemen (werkwoord) meespelen (werkwoord) participeren (werkwoord) |
| meedogend | barmhartig (overig.) |
| meedogenloos | wreed (Bijvoeglijk naamwoord) genadeloos (bijv. naamw.) hard (bijv. naamw.) hardvochtig (bijv. naamw.) ongenadig (bijv. naamw.) onverbiddelijk (bijv. naamw.) spijkerhard (bijv. naamw.) zonder medelijden (bijv. naamw.) afstraffing (bijv. naamw.) onbarmhartig (bijv. naamw.) |
| meedogenloosheid | ongevoeligheid (zelfst. naamw.) gevoelloosheid (zelfst. naamw.) emotieloosheid (zelfst. naamw.) |
| meedraaien | meedoen (werkwoord) |
| meedragen | wegvoeren (werkwoord) wegslepen (werkwoord) wegsjouwen (werkwoord) wegdragen (werkwoord) afvoeren (werkwoord) |
| meeëter | comedo (zelfst. naamw.) |
| meegaan | instemmen (werkwoord) vergezellen (werkwoord) volgen (werkwoord) meelopen (werkwoord) geleiden (werkwoord) escorteren (werkwoord) chaperonneren (werkwoord) begeleiden (werkwoord) |