Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `L`

Pagina 3 van 33 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
lager
minder (bijv. naamw.)
bier (zelfst. naamw.)
hazenleger (zelfst. naamw.)
leger (zelfst. naamw.)
lagere
mindere (zelfst. naamw.)
lagune
strandmeer (overig.)
kustmeer (overig.)
lak
laklaag (zelfst. naamw.)
verf (zelfst. naamw.)
vernis (zelfst. naamw.)
lakei
huisbediende (zelfst. naamw.)
livreiknecht (zelfst. naamw.)
lakeien
nestveren (overig.)
livrei (overig.)
kenteken (overig.)
dienstkleding (overig.)
bedienden (overig.)
laken
aanrekenen (werkwoord)
afkeuren (werkwoord)
berispen (werkwoord)
beddenlaken (zelfst. naamw.)
tafellaken (zelfst. naamw.)
linnen (werkwoord)
lakens (werkwoord)
nadragen (werkwoord)
blameren (werkwoord)
beschuldigen (werkwoord)
aanwrijven (werkwoord)
voorhouden (werkwoord)
verwijten (werkwoord)
gispen (werkwoord)
tafelkleedje (werkwoord)
tafelkleed (werkwoord)
lakens
beddengoed (zelfst. naamw.)
beddenlaken (zelfst. naamw.)
linnen (zelfst. naamw.)
laken (zelfst. naamw.)
lakenswaardig
verwerpelijk (bijv. naamw.)
laakbaar (bijv. naamw.)
afkeurenswaardig (bijv. naamw.)
lakken
schilderen (werkwoord)
vernissen (werkwoord)
verven (werkwoord)
beschilderen (werkwoord)
laklaag
lak (zelfst. naamw.)
vernis (zelfst. naamw.)
laks
traag (bijv. naamw.)
langzaam (bijv. naamw.)
sloom (bijv. naamw.)
laksheid
onverschilligheid (zelfst. naamw.)
slapheid (zelfst. naamw.)
indolentie (zelfst. naamw.)
zwakte (zelfst. naamw.)
zwakheid (zelfst. naamw.)
zachtheid (zelfst. naamw.)
weekheid (zelfst. naamw.)
sulligheid (zelfst. naamw.)
slapte (zelfst. naamw.)
krachteloosheid (zelfst. naamw.)
lakspuit
verfspuit (zelfst. naamw.)
lakstemp
lakzeg (overig.)
lakverf
glansverf (overig.)
glanslak (overig.)
acrylaat (overig.)
lakzeg
lakstemp (overig.)
lakzegel
zegel (zelfst. naamw.)
lallen
wauwelen (werkwoord)
bazelen (werkwoord)
lam
bedonderd (bijv. naamw.)
dronken (bijv. naamw.)
energieloos (bijv. naamw.)
kreupel (bijv. naamw.)
stuk gedraaid (bijv. naamw.)
verlamd (bijv. naamw.)
lammetje (zelfst. naamw.)
futloos (zelfst. naamw.)
mank (bijv. naamw.)
lama
schaapkameel (overig.)
schaapskameel (overig.)
lambrisering
beschieting (zelfst. naamw.)
beschot (zelfst. naamw.)
lambrizering (zelfst. naamw.)
houtversiering (zelfst. naamw.)
betimmering (zelfst. naamw.)
lambrizering
lambrisering (zelfst. naamw.)
lamel
jaloezielat (zelfst. naamw.)
lamello-verbinding
bisquit-jointer (overig.)
lamentabel
beklagenswaardig (overig.)
erbarmelijk (overig.)
treurig (overig.)
lamentatie
jeremiade (zelfst. naamw.)
lamenteren
jammeren (werkwoord)
kermen (werkwoord)
klagen (overig.)
zeuren (overig.)
lamenterend
weeklagend (overig.)
klagend (overig.)
klagelijk (overig.)
klaaglijk (overig.)
jeremiërend (overig.)
jammerend (overig.)
lamheid
verlamming (zelfst. naamw.)
verlamdheid (zelfst. naamw.)
lamleggen
stilleggen (Werkwoord)
verlammen (werkwoord)
lamlegging
kreupelheid (overig.)
lamlendig
beroerd (bijv. naamw.)
ellendig (bijv. naamw.)
futloos (bijv. naamw.)
lamzalig (bijv. naamw.)
landerig (bijv. naamw.)
lusteloos (bijv. naamw.)
slap (bijv. naamw.)
energieloos (bijv. naamw.)
mat (bijv. naamw.)
vervelend (bijv. naamw.)
lamlendigheid
traagheid (zelfst. naamw.)
sloomheid (zelfst. naamw.)
slapte (zelfst. naamw.)
luiheid (zelfst. naamw.)
logheid (zelfst. naamw.)
langzaamheid (zelfst. naamw.)
inertie (zelfst. naamw.)
indolentie (zelfst. naamw.)
lamme
verlamde (overig.)
verlamd (overig.)
lammeling
ellendeling (zelfst. naamw.)
slapkous (zelfst. naamw.)
slampamper (zelfst. naamw.)
nietsnut (zelfst. naamw.)
lijntrekker (zelfst. naamw.)
leegloper (zelfst. naamw.)
lapzwans (zelfst. naamw.)
lanterfanter (zelfst. naamw.)
lamzak (zelfst. naamw.)
geitenbreier (zelfst. naamw.)
lammetje
lam (zelfst. naamw.)
lammetjespap
pap (zelfst. naamw.)
lamp
licht (Zelfst. Naamw.)
buis (zelfst. naamw.)
gloeilamp (zelfst. naamw.)
verlichtingstoestel (zelfst. naamw.)
peer (zelfst. naamw.)
ampul (zelfst. naamw.)
lantaarn (zelfst. naamw.)
lampekap
lampenkap (zelfst. naamw.)
lampekous
lampenkousje (overig.)
lampenkap
lampekap (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English