| Woord | Synoniem |
| lager | minder (bijv. naamw.) bier (zelfst. naamw.) hazenleger (zelfst. naamw.) leger (zelfst. naamw.) |
| lagere | mindere (zelfst. naamw.) |
| lagune | strandmeer (overig.) kustmeer (overig.) |
| lak | laklaag (zelfst. naamw.) verf (zelfst. naamw.) vernis (zelfst. naamw.) |
| lakei | huisbediende (zelfst. naamw.) livreiknecht (zelfst. naamw.) |
| lakeien | nestveren (overig.) livrei (overig.) kenteken (overig.) dienstkleding (overig.) bedienden (overig.) |
| laken | aanrekenen (werkwoord) afkeuren (werkwoord) berispen (werkwoord) beddenlaken (zelfst. naamw.) tafellaken (zelfst. naamw.) linnen (werkwoord) lakens (werkwoord) nadragen (werkwoord) blameren (werkwoord) beschuldigen (werkwoord) aanwrijven (werkwoord) voorhouden (werkwoord) verwijten (werkwoord) gispen (werkwoord) tafelkleedje (werkwoord) tafelkleed (werkwoord) |
| lakens | beddengoed (zelfst. naamw.) beddenlaken (zelfst. naamw.) linnen (zelfst. naamw.) laken (zelfst. naamw.) |
| lakenswaardig | verwerpelijk (bijv. naamw.) laakbaar (bijv. naamw.) afkeurenswaardig (bijv. naamw.) |
| lakken | schilderen (werkwoord) vernissen (werkwoord) verven (werkwoord) beschilderen (werkwoord) |
| laklaag | lak (zelfst. naamw.) vernis (zelfst. naamw.) |
| laks | traag (bijv. naamw.) langzaam (bijv. naamw.) sloom (bijv. naamw.) |
| laksheid | onverschilligheid (zelfst. naamw.) slapheid (zelfst. naamw.) indolentie (zelfst. naamw.) zwakte (zelfst. naamw.) zwakheid (zelfst. naamw.) zachtheid (zelfst. naamw.) weekheid (zelfst. naamw.) sulligheid (zelfst. naamw.) slapte (zelfst. naamw.) krachteloosheid (zelfst. naamw.) |
| lakspuit | verfspuit (zelfst. naamw.) |
| lakstemp | lakzeg (overig.) |
| lakverf | glansverf (overig.) glanslak (overig.) acrylaat (overig.) |
| lakzeg | lakstemp (overig.) |
| lakzegel | zegel (zelfst. naamw.) |
| lallen | wauwelen (werkwoord) bazelen (werkwoord) |
| lam | bedonderd (bijv. naamw.) dronken (bijv. naamw.) energieloos (bijv. naamw.) kreupel (bijv. naamw.) stuk gedraaid (bijv. naamw.) verlamd (bijv. naamw.) lammetje (zelfst. naamw.) futloos (zelfst. naamw.) mank (bijv. naamw.) |
| lama | schaapkameel (overig.) schaapskameel (overig.) |
| lambrisering | beschieting (zelfst. naamw.) beschot (zelfst. naamw.) lambrizering (zelfst. naamw.) houtversiering (zelfst. naamw.) betimmering (zelfst. naamw.) |
| lambrizering | lambrisering (zelfst. naamw.) |
| lamel | jaloezielat (zelfst. naamw.) |
| lamello-verbinding | bisquit-jointer (overig.) |
| lamentabel | beklagenswaardig (overig.) erbarmelijk (overig.) treurig (overig.) |
| lamentatie | jeremiade (zelfst. naamw.) |
| lamenteren | jammeren (werkwoord) kermen (werkwoord) klagen (overig.) zeuren (overig.) |
| lamenterend | weeklagend (overig.) klagend (overig.) klagelijk (overig.) klaaglijk (overig.) jeremiërend (overig.) jammerend (overig.) |
| lamheid | verlamming (zelfst. naamw.) verlamdheid (zelfst. naamw.) |
| lamleggen | stilleggen (Werkwoord) verlammen (werkwoord) |
| lamlegging | kreupelheid (overig.) |
| lamlendig | beroerd (bijv. naamw.) ellendig (bijv. naamw.) futloos (bijv. naamw.) lamzalig (bijv. naamw.) landerig (bijv. naamw.) lusteloos (bijv. naamw.) slap (bijv. naamw.) energieloos (bijv. naamw.) mat (bijv. naamw.) vervelend (bijv. naamw.) |
| lamlendigheid | traagheid (zelfst. naamw.) sloomheid (zelfst. naamw.) slapte (zelfst. naamw.) luiheid (zelfst. naamw.) logheid (zelfst. naamw.) langzaamheid (zelfst. naamw.) inertie (zelfst. naamw.) indolentie (zelfst. naamw.) |
| lamme | verlamde (overig.) verlamd (overig.) |
| lammeling | ellendeling (zelfst. naamw.) slapkous (zelfst. naamw.) slampamper (zelfst. naamw.) nietsnut (zelfst. naamw.) lijntrekker (zelfst. naamw.) leegloper (zelfst. naamw.) lapzwans (zelfst. naamw.) lanterfanter (zelfst. naamw.) lamzak (zelfst. naamw.) geitenbreier (zelfst. naamw.) |
| lammetje | lam (zelfst. naamw.) |
| lammetjespap | pap (zelfst. naamw.) |
| lamp | licht (Zelfst. Naamw.) buis (zelfst. naamw.) gloeilamp (zelfst. naamw.) verlichtingstoestel (zelfst. naamw.) peer (zelfst. naamw.) ampul (zelfst. naamw.) lantaarn (zelfst. naamw.) |
| lampekap | lampenkap (zelfst. naamw.) |
| lampekous | lampenkousje (overig.) |
| lampenkap | lampekap (zelfst. naamw.) |