Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `L`

Pagina 29 van 33 Vorige 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
loskoppelen
splitsen (werkwoord)
scheiden (werkwoord)
loskrijgen
uittrekken (werkwoord)
uithalen (werkwoord)
tornen (werkwoord)
lostornen (werkwoord)
losmaken (werkwoord)
scheiden (werkwoord)
loswerken (werkwoord)
detacheren (werkwoord)
loslaten
invrijheidstellen (werkwoord)
losgaan (werkwoord)
niet vasthouden (werkwoord)
opgeven (werkwoord)
verklappen (werkwoord)
bevrijden (zelfst. naamw.)
vrijmaken (werkwoord)
vrijlaten (werkwoord)
verlossen (werkwoord)
afhelpen (werkwoord)
weglaten (werkwoord)
vieren (werkwoord)
uitlaten (werkwoord)
tappen (werkwoord)
lossen (werkwoord)
losmaken (werkwoord)
loslating
vrijlating (zelfst. naamw.)
loslippig
kletserig (bijv. naamw.)
babbelziek (bijv. naamw.)
spraakzaam (bijv. naamw.)
praatziek (bijv. naamw.)
praatgraag (bijv. naamw.)
mededeelzaam (bijv. naamw.)
kletsgraag (bijv. naamw.)
indiscreet (bijv. naamw.)
flapuit (bijv. naamw.)
babbelachtig (bijv. naamw.)
loslippigheid
indiscretie (zelfst. naamw.)
loslopen
terechtkomen (werkwoord)
vrij rondlopen (werkwoord)
losmaken
detacheren (werkwoord)
gedetacheerd (werkwoord)
los graven (werkwoord)
loskrijgen (werkwoord)
lostornen (werkwoord)
oproepen (werkwoord)
scheiden (werkwoord)
teweegbrengen (werkwoord)
uittrekken (werkwoord)
uithalen (werkwoord)
tornen (werkwoord)
verzwakken (werkwoord)
loswerken (werkwoord)
vrijlaten (werkwoord)
loslaten (werkwoord)
bevrijden (werkwoord)
losmakende
bevrijdende (overig.)
losmanchet
rolletje (overig.)
losplaats
kade (zelfst. naamw.)
losprijs
losgeld (zelfst. naamw.)
losraken
losgaan (werkwoord)
loskomen (werkwoord)
ontstrengelen (werkwoord)
losdraaien (werkwoord)
losrijgen
openen (overig.)
losrukken
scheuren (werkwoord)
afrukken (zelfst. naamw.)
lostrekken (zelfst. naamw.)
losscheuren (zelfst. naamw.)
losscheuren
lostrekken (werkwoord)
losrukken (werkwoord)
rijten (werkwoord)
openscheuren (werkwoord)
openrijten (werkwoord)
losschroeven
losdraaien (werkwoord)
lossen
achterop raken (werkwoord)
afkopen (werkwoord)
afschieten (werkwoord)
loslaten (werkwoord)
ontladen (werkwoord)
uitladen (werkwoord)
afladen (zelfst. naamw.)
binnenvaren (werkwoord)
weglaten (werkwoord)
vieren (werkwoord)
uitlaten (werkwoord)
tappen (werkwoord)
lossing
uitlading (zelfst. naamw.)
ontlading (zelfst. naamw.)
uitsteeksel (zelfst. naamw.)
afzegging (zelfst. naamw.)
losslaan
afslaan (werkwoord)
losspringen
afspringen (werkwoord)
openspringen (werkwoord)
barsten (werkwoord)
losstaand
vrijstaand (overig.)
separaat (overig.)
gescheiden (overig.)
apart (overig.)
alleenstaand (overig.)
afzonderlijk (overig.)
geïsoleerd (overig.)
zonverband (overig.)
lostornen
losmaken (werkwoord)
tornen (werkwoord)
uithalen (werkwoord)
uittrekken (werkwoord)
loskrijgen (werkwoord)
lostrekken
losscheuren (werkwoord)
losrukken (werkwoord)
losweken
afstomen (werkwoord)
afweken (werkwoord)
loswerken
scheiden (werkwoord)
losmaken (werkwoord)
loskrijgen (werkwoord)
detacheren (werkwoord)
loswerpen
losgooien (overig.)
loszinnig
dartel (bijv. naamw.)
loszinnigheid
lichtzinnigheid (zelfst. naamw.)
loszitten
loshangen (werkwoord)
lot
buitenkans (zelfst. naamw.)
fortuin (zelfst. naamw.)
loot (zelfst. naamw.)
lootje (zelfst. naamw.)
loterijlot (zelfst. naamw.)
lotsbestemming (zelfst. naamw.)
kansbrief (zelfst. naamw.)
noodlot (zelfst. naamw.)
loten
verloten (werkwoord)
loterij
kansspel (zelfst. naamw.)
verloting (zelfst. naamw.)
loterijbriefje
lot (zelfst. naamw.)
loterijlot
lot (overig.)
lotgeval
avontuur (zelfst. naamw.)
lotgevallen
avonturen (zelfst. naamw.)
historie (zelfst. naamw.)
loting
uitloting (zelfst. naamw.)
verloting (zelfst. naamw.)
lotsbestemming
lot (zelfst. naamw.)
lotsverbondenheid
solidariteit (zelfst. naamw.)
verbondenheid (zelfst. naamw.)
lotto
kienspel (zelfst. naamw.)
loterij (zelfst. naamw.)
lotus
lotusbloem (zelfst. naamw.)
lotusbloem
lotus (zelfst. naamw.)
louche
verdacht (Bijvoeglijk naamwoord)
onguur (bijv. naamw.)
onbetrouwbaar (bijv. naamw.)
duister (bijv. naamw.)

Vorige 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English