| Woord | Synoniem |
| loskoppelen | splitsen (werkwoord) scheiden (werkwoord) |
| loskrijgen | uittrekken (werkwoord) uithalen (werkwoord) tornen (werkwoord) lostornen (werkwoord) losmaken (werkwoord) scheiden (werkwoord) loswerken (werkwoord) detacheren (werkwoord) |
| loslaten | invrijheidstellen (werkwoord) losgaan (werkwoord) niet vasthouden (werkwoord) opgeven (werkwoord) verklappen (werkwoord) bevrijden (zelfst. naamw.) vrijmaken (werkwoord) vrijlaten (werkwoord) verlossen (werkwoord) afhelpen (werkwoord) weglaten (werkwoord) vieren (werkwoord) uitlaten (werkwoord) tappen (werkwoord) lossen (werkwoord) losmaken (werkwoord) |
| loslating | vrijlating (zelfst. naamw.) |
| loslippig | kletserig (bijv. naamw.) babbelziek (bijv. naamw.) spraakzaam (bijv. naamw.) praatziek (bijv. naamw.) praatgraag (bijv. naamw.) mededeelzaam (bijv. naamw.) kletsgraag (bijv. naamw.) indiscreet (bijv. naamw.) flapuit (bijv. naamw.) babbelachtig (bijv. naamw.) |
| loslippigheid | indiscretie (zelfst. naamw.) |
| loslopen | terechtkomen (werkwoord) vrij rondlopen (werkwoord) |
| losmaken | detacheren (werkwoord) gedetacheerd (werkwoord) los graven (werkwoord) loskrijgen (werkwoord) lostornen (werkwoord) oproepen (werkwoord) scheiden (werkwoord) teweegbrengen (werkwoord) uittrekken (werkwoord) uithalen (werkwoord) tornen (werkwoord) verzwakken (werkwoord) loswerken (werkwoord) vrijlaten (werkwoord) loslaten (werkwoord) bevrijden (werkwoord) |
| losmakende | bevrijdende (overig.) |
| losmanchet | rolletje (overig.) |
| losplaats | kade (zelfst. naamw.) |
| losprijs | losgeld (zelfst. naamw.) |
| losraken | losgaan (werkwoord) loskomen (werkwoord) ontstrengelen (werkwoord) losdraaien (werkwoord) |
| losrijgen | openen (overig.) |
| losrukken | scheuren (werkwoord) afrukken (zelfst. naamw.) lostrekken (zelfst. naamw.) losscheuren (zelfst. naamw.) |
| losscheuren | lostrekken (werkwoord) losrukken (werkwoord) rijten (werkwoord) openscheuren (werkwoord) openrijten (werkwoord) |
| losschroeven | losdraaien (werkwoord) |
| lossen | achterop raken (werkwoord) afkopen (werkwoord) afschieten (werkwoord) loslaten (werkwoord) ontladen (werkwoord) uitladen (werkwoord) afladen (zelfst. naamw.) binnenvaren (werkwoord) weglaten (werkwoord) vieren (werkwoord) uitlaten (werkwoord) tappen (werkwoord) |
| lossing | uitlading (zelfst. naamw.) ontlading (zelfst. naamw.) uitsteeksel (zelfst. naamw.) afzegging (zelfst. naamw.) |
| losslaan | afslaan (werkwoord) |
| losspringen | afspringen (werkwoord) openspringen (werkwoord) barsten (werkwoord) |
| losstaand | vrijstaand (overig.) separaat (overig.) gescheiden (overig.) apart (overig.) alleenstaand (overig.) afzonderlijk (overig.) geïsoleerd (overig.) zonverband (overig.) |
| lostornen | losmaken (werkwoord) tornen (werkwoord) uithalen (werkwoord) uittrekken (werkwoord) loskrijgen (werkwoord) |
| lostrekken | losscheuren (werkwoord) losrukken (werkwoord) |
| losweken | afstomen (werkwoord) afweken (werkwoord) |
| loswerken | scheiden (werkwoord) losmaken (werkwoord) loskrijgen (werkwoord) detacheren (werkwoord) |
| loswerpen | losgooien (overig.) |
| loszinnig | dartel (bijv. naamw.) |
| loszinnigheid | lichtzinnigheid (zelfst. naamw.) |
| loszitten | loshangen (werkwoord) |
| lot | buitenkans (zelfst. naamw.) fortuin (zelfst. naamw.) loot (zelfst. naamw.) lootje (zelfst. naamw.) loterijlot (zelfst. naamw.) lotsbestemming (zelfst. naamw.) kansbrief (zelfst. naamw.) noodlot (zelfst. naamw.) |
| loten | verloten (werkwoord) |
| loterij | kansspel (zelfst. naamw.) verloting (zelfst. naamw.) |
| loterijbriefje | lot (zelfst. naamw.) |
| loterijlot | lot (overig.) |
| lotgeval | avontuur (zelfst. naamw.) |
| lotgevallen | avonturen (zelfst. naamw.) historie (zelfst. naamw.) |
| loting | uitloting (zelfst. naamw.) verloting (zelfst. naamw.) |
| lotsbestemming | lot (zelfst. naamw.) |
| lotsverbondenheid | solidariteit (zelfst. naamw.) verbondenheid (zelfst. naamw.) |
| lotto | kienspel (zelfst. naamw.) loterij (zelfst. naamw.) |
| lotus | lotusbloem (zelfst. naamw.) |
| lotusbloem | lotus (zelfst. naamw.) |
| louche | verdacht (Bijvoeglijk naamwoord) onguur (bijv. naamw.) onbetrouwbaar (bijv. naamw.) duister (bijv. naamw.) |