Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen
Synoniemen (Nederlands) (Zie ook Duits - Engels - Frans - Spaans, of bekijk de Antoniemen)



Synoniemen met een `I`

Pagina 9 van 24 Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Volgende
Synoniemen beginnend met een A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

WoordSynoniem
induwen
indrukken (werkwoord)
proppen (werkwoord)
ineen
tezamen (overig.)
tevens (overig.)
tegelijkertijd (overig.)
tegelijk (overig.)
samen (overig.)
gelijktijdig (overig.)
gelijk (overig.)
bijeen (overig.)
aaneen (overig.)
ineenkrimpen
beven (werkwoord)
samentrekken (werkwoord)
schrompelen (werkwoord)
ineenschrompelen (werkwoord)
ineens
plotseling (bijv. naamw.)
onverwachts (bijv. naamw.)
pardoes (bijv. naamw.)
opeens (bijv. naamw.)
plotsklaps (bijv. naamw.)
plots (bijv. naamw.)
onverwacht (bijv. naamw.)
onverhoeds (bijv. naamw.)
eensklaps (bijv. naamw.)
abrupt (bijv. naamw.)
ineenschrompelen
schrompelen (werkwoord)
ineenkrimpen (werkwoord)
ineensmelten
versmelten (overig.)
samensmelten (overig.)
fuseren (overig.)
ineenstorten
instorten (werkwoord)
ineenstorting
bankroet (zelfst. naamw.)
debacle (zelfst. naamw.)
val (zelfst. naamw.)
verderf (zelfst. naamw.)
instorting (zelfst. naamw.)
ineenzakking (zelfst. naamw.)
ineenstortingen
instortingen (overig.)
ineenstrengelen
verstrengelen (werkwoord)
samenvlechten (werkwoord)
ineenvlechten
strengelen (werkwoord)
vlechten (werkwoord)
verweven (werkwoord)
vervlechten (werkwoord)
ineenzakken
flauwvallen (werkwoord)
neervallen (werkwoord)
ineenzijgen (werkwoord)
ineenzakking
instorting (zelfst. naamw.)
ineenstorting (zelfst. naamw.)
debacle (overig.)
ineenzijgen
ineenzakken (overig.)
ineffectief
onjuist (bijv. naamw.)
slecht (bijv. naamw.)
inenten
vaccineren (Werkwoord)
inoculeren (werkwoord)
inenting
vaccinatie (zelfst. naamw.)
inert
traag (bijv. naamw.)
futloos (bijv. naamw.)
inertie
traagheid (zelfst. naamw.)
willoosheid (zelfst. naamw.)
lethargie (zelfst. naamw.)
daadloosheid (zelfst. naamw.)
sloomheid (zelfst. naamw.)
slapte (zelfst. naamw.)
luiheid (zelfst. naamw.)
logheid (zelfst. naamw.)
langzaamheid (zelfst. naamw.)
lamlendigheid (zelfst. naamw.)
indolentie (zelfst. naamw.)
infaam
eerloos (bijv. naamw.)
schandelijk (bijv. naamw.)
trouweloos (bijv. naamw.)
laaghartig (bijv. naamw.)
infante
troonpretendent (overig.)
troonopvolger (overig.)
succeseur (overig.)
prins (overig.)
pretendente (overig.)
pretendent (overig.)
kroonprinses (overig.)
kroonprins (overig.)
infanterie
voetvolk (zelfst. naamw.)
infanteriesoldaat
infanterist (overig.)
infanterist
soldaat (zelfst. naamw.)
infanteriesoldaat (zelfst. naamw.)
infantiel
kinderachtig (bijv. naamw.)
kinderlijk (bijv. naamw.)
infaust
ongunstig (bijv. naamw.)
infecteren
aansteken (werkwoord)
besmetten (werkwoord)
overbrengen (werkwoord)
vergiftigen (werkwoord)
vergiftiging (zelfst. naamw.)
verbitteren (werkwoord)
aanstoken (werkwoord)
verpesten (werkwoord)
verpesting (werkwoord)
infecterend
infectieus (overig.)
infectie
ontsteking (zelfst. naamw.)
besmetting (zelfst. naamw.)
infectiestof
smetstof (overig.)
infectieus
besmettelijk (bijv. naamw.)
infecterend (bijv. naamw.)
inferieur
arm (bijv. naamw.)
minder (bijv. naamw.)
minderwaardig (bijv. naamw.)
ondergeschikt (bijv. naamw.)
ondermaats (bijv. naamw.)
ondeugdelijk (bijv. naamw.)
slecht (bijv. naamw.)
zwak (bijv. naamw.)
mindere (zelfst. naamw.)
ondergeschikte (zelfst. naamw.)
tweederangs (bijv. naamw.)
onderworpen (bijv. naamw.)
onderhorig (bijv. naamw.)
bijkomstig (bijv. naamw.)
inferioriteit
minderwaardigheid (zelfst. naamw.)
infernaal
hels (bijv. naamw.)
inferno
hel (zelfst. naamw.)
infertiel
onvruchtbaar (bijv. naamw.)
infiltrant
spion (zelfst. naamw.)
binnendringer (zelfst. naamw.)
infiltrante
indringster (overig.)
infiltratie
vochtafzetting (zelfst. naamw.)
insluiping (zelfst. naamw.)
tersluikbinnendringing (zelfst. naamw.)
infiltreren
binnendringen (werkwoord)
indringen (werkwoord)
infinitief
onbepaalde wijs (Zelfst. Naamw.)
onbepaalwijs (overig.)
inflammatie
ontsteking (zelfst. naamw.)
inflatie
geldontwaarding (Zelfst. Naamw.)
prijsverhoging (zelfst. naamw.)
prijsstijging (zelfst. naamw.)
influenza
griep (zelfst. naamw.)
influisteren
ingeven (werkwoord)
souffleren (werkwoord)
informant
lek (zelfst. naamw.)
spion (zelfst. naamw.)
tipgever (zelfst. naamw.)
zegsman (zelfst. naamw.)
bron (zelfst. naamw.)
informatica
computerkunde (zelfst. naamw.)
computerkun (zelfst. naamw.)

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 Volgende


© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English