| Woord | Synoniem |
| induwen | indrukken (werkwoord) proppen (werkwoord) |
| ineen | tezamen (overig.) tevens (overig.) tegelijkertijd (overig.) tegelijk (overig.) samen (overig.) gelijktijdig (overig.) gelijk (overig.) bijeen (overig.) aaneen (overig.) |
| ineenkrimpen | beven (werkwoord) samentrekken (werkwoord) schrompelen (werkwoord) ineenschrompelen (werkwoord) |
| ineens | plotseling (bijv. naamw.) onverwachts (bijv. naamw.) pardoes (bijv. naamw.) opeens (bijv. naamw.) plotsklaps (bijv. naamw.) plots (bijv. naamw.) onverwacht (bijv. naamw.) onverhoeds (bijv. naamw.) eensklaps (bijv. naamw.) abrupt (bijv. naamw.) |
| ineenschrompelen | schrompelen (werkwoord) ineenkrimpen (werkwoord) |
| ineensmelten | versmelten (overig.) samensmelten (overig.) fuseren (overig.) |
| ineenstorten | instorten (werkwoord) |
| ineenstorting | bankroet (zelfst. naamw.) debacle (zelfst. naamw.) val (zelfst. naamw.) verderf (zelfst. naamw.) instorting (zelfst. naamw.) ineenzakking (zelfst. naamw.) |
| ineenstortingen | instortingen (overig.) |
| ineenstrengelen | verstrengelen (werkwoord) samenvlechten (werkwoord) |
| ineenvlechten | strengelen (werkwoord) vlechten (werkwoord) verweven (werkwoord) vervlechten (werkwoord) |
| ineenzakken | flauwvallen (werkwoord) neervallen (werkwoord) ineenzijgen (werkwoord) |
| ineenzakking | instorting (zelfst. naamw.) ineenstorting (zelfst. naamw.) debacle (overig.) |
| ineenzijgen | ineenzakken (overig.) |
| ineffectief | onjuist (bijv. naamw.) slecht (bijv. naamw.) |
| inenten | vaccineren (Werkwoord) inoculeren (werkwoord) |
| inenting | vaccinatie (zelfst. naamw.) |
| inert | traag (bijv. naamw.) futloos (bijv. naamw.) |
| inertie | traagheid (zelfst. naamw.) willoosheid (zelfst. naamw.) lethargie (zelfst. naamw.) daadloosheid (zelfst. naamw.) sloomheid (zelfst. naamw.) slapte (zelfst. naamw.) luiheid (zelfst. naamw.) logheid (zelfst. naamw.) langzaamheid (zelfst. naamw.) lamlendigheid (zelfst. naamw.) indolentie (zelfst. naamw.) |
| infaam | eerloos (bijv. naamw.) schandelijk (bijv. naamw.) trouweloos (bijv. naamw.) laaghartig (bijv. naamw.) |
| infante | troonpretendent (overig.) troonopvolger (overig.) succeseur (overig.) prins (overig.) pretendente (overig.) pretendent (overig.) kroonprinses (overig.) kroonprins (overig.) |
| infanterie | voetvolk (zelfst. naamw.) |
| infanteriesoldaat | infanterist (overig.) |
| infanterist | soldaat (zelfst. naamw.) infanteriesoldaat (zelfst. naamw.) |
| infantiel | kinderachtig (bijv. naamw.) kinderlijk (bijv. naamw.) |
| infaust | ongunstig (bijv. naamw.) |
| infecteren | aansteken (werkwoord) besmetten (werkwoord) overbrengen (werkwoord) vergiftigen (werkwoord) vergiftiging (zelfst. naamw.) verbitteren (werkwoord) aanstoken (werkwoord) verpesten (werkwoord) verpesting (werkwoord) |
| infecterend | infectieus (overig.) |
| infectie | ontsteking (zelfst. naamw.) besmetting (zelfst. naamw.) |
| infectiestof | smetstof (overig.) |
| infectieus | besmettelijk (bijv. naamw.) infecterend (bijv. naamw.) |
| inferieur | arm (bijv. naamw.) minder (bijv. naamw.) minderwaardig (bijv. naamw.) ondergeschikt (bijv. naamw.) ondermaats (bijv. naamw.) ondeugdelijk (bijv. naamw.) slecht (bijv. naamw.) zwak (bijv. naamw.) mindere (zelfst. naamw.) ondergeschikte (zelfst. naamw.) tweederangs (bijv. naamw.) onderworpen (bijv. naamw.) onderhorig (bijv. naamw.) bijkomstig (bijv. naamw.) |
| inferioriteit | minderwaardigheid (zelfst. naamw.) |
| infernaal | hels (bijv. naamw.) |
| inferno | hel (zelfst. naamw.) |
| infertiel | onvruchtbaar (bijv. naamw.) |
| infiltrant | spion (zelfst. naamw.) binnendringer (zelfst. naamw.) |
| infiltrante | indringster (overig.) |
| infiltratie | vochtafzetting (zelfst. naamw.) insluiping (zelfst. naamw.) tersluikbinnendringing (zelfst. naamw.) |
| infiltreren | binnendringen (werkwoord) indringen (werkwoord) |
| infinitief | onbepaalde wijs (Zelfst. Naamw.) onbepaalwijs (overig.) |
| inflammatie | ontsteking (zelfst. naamw.) |
| inflatie | geldontwaarding (Zelfst. Naamw.) prijsverhoging (zelfst. naamw.) prijsstijging (zelfst. naamw.) |
| influenza | griep (zelfst. naamw.) |
| influisteren | ingeven (werkwoord) souffleren (werkwoord) |
| informant | lek (zelfst. naamw.) spion (zelfst. naamw.) tipgever (zelfst. naamw.) zegsman (zelfst. naamw.) bron (zelfst. naamw.) |
| informatica | computerkunde (zelfst. naamw.) computerkun (zelfst. naamw.) |